(66.05) Openbaring 2:18-25 “De brief aan Thyatira (1)”

In de vorige lezing stonden de gemeenten in Smyrna en Pérgamus centraal. Bij Smyrna zagen we een gemeente die werd vervolgd. Menselijk gezien was zij arm, maar de Heer Jezus zei: ‘U bent rijk.’ De vijand probeerde de gemeente van buitenaf aan te vallen door verdrukking, lastering, gevangenschap en dood.

Bij Pérgamus veranderde de situatie. De gemeente hield vast aan de Naam van Christus en had het geloof niet verloochend. Zelfs toen Antipas werd gedood, bleef zij trouw. Maar tegelijk kreeg verkeerde leer een plaats binnen de gemeente. Daar kwam de leer van Bileam in beeld. Wat niet lukte door een rechtstreekse aanval van buitenaf, werd geprobeerd door verleiding en vermenging.

Nu komen we bij de vierde gemeente: Thyatira. De ontwikkeling die bij Pérgamus begon, is hier verder gegaan. Verkeerde invloeden zijn niet alleen aanwezig. Er is nu iemand die in de gemeente leert. Daarom is de brief aan Thyatira bijzonder ernstig. Tegelijk is het belangrijk om goed te zien dat Christus ook veel goeds in deze gemeente vindt.

Hij begint met de woorden: ‘Dit zegt de Zoon van God, Die ogen heeft als een vuurvlam en voeten als blinkend koper.’ Dit is de enige keer in de zeven brieven dat de Heer Jezus Zich nadrukkelijk voorstelt als: de Zoon van God. Dat is belangrijk. In hoofdstuk 1 zag Johannes Hem als Iemand Die leek op de Zoon des mensen. Nu spreekt Hij met het gezag van de Zoon van God. De gemeente behoort aan Hem toe. Geen mens, geen leider en geen kerkelijk instituut kan Zijn plaats innemen. Zijn ogen zijn als een vuurvlam. Hij ziet door alles heen. Mensen kunnen onder de indruk zijn van uiterlijke godsdienst. Van traditie. Van indrukwekkende gebouwen. Van oude instellingen. Van macht en invloed. Maar Christus kijkt dieper. Hij ziet de werkelijke geestelijke toestand.

Zijn voeten zijn als blinkend koper. Ook dat beeld kennen we uit hoofdstuk 1. Het spreekt van oordeel. Dezelfde Christus Die Zijn gemeente liefheeft, beoordeelt ook wat zij in haar midden toelaat. Toch begint Hij niet met het verwijt. Hij zegt: ‘Ik ken uw werken.’ Daarna noemt Hij verschillende dingen die Hij waardeert. Liefde. Dienstbetoon. Geloof. Volharding. En werken.

Dat is opvallend wanneer we Thyatira vergelijken met Efeze. Efeze had veel werken. Er was inzet. Er was volharding. Er was onderscheidingsvermogen. Maar de eerste liefde was verlaten. Bij Thyatira wordt juist de liefde genoemd. Er is dienst. Er is geloof. Er is volharding. Christus zegt zelfs dat de laatste werken meer zijn dan de eerste. Er is dus groeiende activiteit. Dat maakt de brief des te ernstiger. Een gemeente kan veel goede werken hebben en tegelijk iets in haar midden toelaten wat Christus fundamenteel afwijst.

Dan zegt Hij: ‘Maar Ik heb enkele dingen tegen u.’ Het grote probleem is dat de gemeente de vrouw Izebel haar gang laat gaan. Christus zegt over haar dat zij van zichzelf beweert een profetes te zijn. Zij leert. En zij misleidt de dienstknechten van Christus. Om de ernst daarvan te begrijpen, moeten we terug naar het Oude Testament. Izebel was de vrouw van koning Achab. Zij kwam uit een heidense omgeving en bracht de Baäldienst op een krachtige manier binnen Israël. Onder haar invloed kreeg de afgoderij een officiële plaats. De profeten van de HEERE werden vervolgd. Elia moest vluchten. Izebel oefende grote invloed uit op de koning en daarmee op het hele volk. Daarom gebruikt Christus haar naam in de brief aan Thyatira. Het gaat om meer dan persoonlijk verkeerd gedrag. Er is sprake van een invloed die zich een geestelijk gezag aanmatigt. Zij noemt zichzelf een profetes. Zij onderwijst. En zij brengt de dienstknechten van Christus op een verkeerde weg.

In de studie wordt deze ontwikkeling ook geplaatst in de profetische lijn van de zeven gemeenten. De zeven brieven waren in de eerste plaats gericht aan zeven werkelijk bestaande gemeenten in Klein-Azië. Maar samen laten zij ook een ontwikkeling zien. Efeze laat de gemeente zien die haar eerste liefde verlaat. Smyrna brengt de periode van vervolging in beeld. Bij Pérgamus ontstaat een verbinding tussen de gemeente en de wereld. En in Thyatira zien we een verdere ontwikkeling waarin een kerkelijk systeem een steeds grotere plaats en steeds meer gezag krijgt. In de studie wordt daarom uitvoerig stilgestaan bij de ontwikkeling van de rooms-katholieke kerk. Daarbij gaat het niet om de gedachte dat ieder mens binnen zo’n systeem persoonlijk over één kam kan worden geschoren. De brief zelf maakt later immers ook onderscheid tussen verschillende mensen in Thyatira. De vraag is welke leer en welk systeem zijn ontstaan en hoe die zich verhouden tot het Woord van God. Een belangrijk thema daarbij is het gezag. Wie bepaalt wat de gemeente moet geloven? Wie heeft het recht om te leren? Waar komt geestelijke waarheid vandaan? Bij de profetes Izebel is het probleem dat zij zichzelf een geestelijke positie geeft en vervolgens anderen leert. In de kerkgeschiedenis zien we hoe naast de Schrift steeds meer gezag werd toegekend aan de kerkelijke traditie en het kerkelijke leergezag. Daarmee komt de vraag naar voren of de kerk onder het Woord staat, of dat de kerk uiteindelijk zelf bepaalt hoe het Woord moet worden verstaan.

Een belangrijk gedeelte van de studie gaat daarom over de sacramenten. In het Nieuwe Testament zien we de doop en het avondmaal. In de loop van de kerkgeschiedenis ontwikkelde zich echter een systeem van zeven sacramenten. Deze werden tijdens het Concilie van Trente, in de zestiende eeuw, tegenover de Reformatie nadrukkelijk bevestigd. Het gaat om: de doop, het vormsel, de eucharistie, de biecht, de ziekenzalving, de priesterwijding en het huwelijk. Het Concilie van Trente speelde een belangrijke rol in de reactie van de rooms-katholieke kerk op de Reformatie. De reformatoren riepen op tot terugkeer naar de Schrift en legden opnieuw nadruk op de rechtvaardiging door geloof. Daartegenover bevestigde Trente de rooms-katholieke leer.

In de studie wordt zichtbaar gemaakt dat het verschil niet alleen gaat over het aantal sacramenten. Er ligt een veel diepere vraag onder. Hoe ontvangt de mens Gods genade? Is de gelovige voor zijn verhouding met God afhankelijk van een kerkelijk systeem en de sacramenten die door dat systeem worden bediend? Of rust de verlossing volledig op het werk van Jezus Christus en wordt zij door geloof ontvangen? Dat raakt de kern van het evangelie. In de rooms-katholieke sacramentenleer wordt aan de sacramenten een bijzondere genadewerking toegekend. De kerk krijgt daardoor een centrale bemiddelende plaats. Ook het priesterschap krijgt een bijzondere functie. Daarmee ontstaat een systeem waarin de gelovige voor verschillende belangrijke momenten in zijn leven afhankelijk wordt van de bediening van de kerk.

In de studie wordt bij deze ontwikkeling stilgestaan omdat de brief aan Thyatira spreekt over een invloed die leert en geestelijk gezag uitoefent. Daarbij wordt ook duidelijk dat de Reformatie niet zomaar een conflict was over enkele ondergeschikte kerkelijke gebruiken. Het ging om fundamentele vragen. Wat is de hoogste autoriteit? De Schrift of de kerkelijke traditie? Hoe wordt een zondaar gerechtvaardigd? Door geloof in het volbrachte werk van Christus of door een systeem waarin de sacramenten een noodzakelijke plaats innemen? Wie is de Middelaar tussen God en mensen? Jezus Christus alleen, of is daarnaast een priesterlijk en kerkelijk systeem nodig? Dat maakt de brief aan Thyatira bijzonder actueel.

De vraag is niet alleen of een kerk veel goede werken doet. Christus erkent de werken van Thyatira. Hij erkent haar liefde. Hij erkent haar dienst. Hij erkent haar geloof. Hij erkent haar volharding. Maar goede werken maken verkeerde leer niet onbelangrijk. Liefde is geen reden om alles toe te laten. Activiteit is geen bewijs dat Christus iedere ontwikkeling goedkeurt. Hij zegt: ‘Ik heb tegen u dat u de vrouw Izebel ongemoeid haar gang laat gaan.’ De verantwoordelijkheid ligt dus niet alleen bij degene die verkeerd leert. De gemeente wordt ook aangesproken omdat zij dit toelaat. Dat is een belangrijk beginsel. Een gemeente kan niet zeggen: Wij zijn het er zelf niet mee eens, dus wij zijn niet verantwoordelijk. Christus beoordeelt ook wat een gemeente ruimte geeft.

Daarna zegt Hij dat Hij Izebel tijd heeft gegeven om zich te bekeren. Dat laat opnieuw iets zien van het geduld van Christus. Het oordeel komt niet zonder waarschuwing. Er is tijd gegeven. Er is gelegenheid tot bekering. Maar zij wil zich niet bekeren. Dat is ernstig. Het probleem is niet dat er geen mogelijkheid tot terugkeer bestaat. Het probleem is de weigering om terug te keren. Daarom kondigt Christus oordeel aan.

De woorden die volgen zijn zwaar. Hij zal Izebel op een bed werpen en degenen die met haar overspel bedrijven in grote verdrukking brengen, als zij zich niet bekeren van hun werken. Ook spreekt Hij over het oordeel over haar kinderen. Een ont wikkeling krijgt navolgers. Er ontstaan geestelijke kinderen. Een systeem kan zich voortzetten. Maar Christus zegt dat alle gemeenten daardoor zullen weten: ‘Ik ben het Die nieren en harten doorzoekt.’ Opnieuw komen Zijn ogen als een vuurvlam in beeld. Hij beoordeelt niet alleen uiterlijke vormen. Hij doorzoekt het innerlijk. Hij kent de werkelijke motieven. Hij weet wie Hem werkelijk toebehoort. En Hij zal ieder geven naar zijn werken.

Dan komt er een belangrijke wending in de brief. Christus spreekt tot: ‘de overigen in Thyatira.’ Niet iedereen wordt over één kam geschoren. Niet iedereen volgt de leer van Izebel. Niet iedereen heeft de zogenaamde diepten van de satan leren kennen. Christus kent de Zijnen. Ook binnen een ernstig afgeweken situatie ziet Hij degenen die niet meegaan. Dat is belangrijk. De studie over de kerkgeschiedenis mag nooit leiden tot de gedachte dat wij eenvoudig ieder afzonderlijk mens kunnen beoordelen op grond van het kerkelijke systeem waarin hij of zij zich bevindt. Christus kent de harten. Hij weet wie van Hem zijn. Hij weet wie vasthouden aan Zijn Woord.

Tegen deze anderen zegt Hij: ‘Ik leg u geen andere last op.’ En dan volgt de oproep: ‘Houd vast wat u hebt, totdat Ik kom.’ Deze woorden zijn bijzonder belangrijk in de ontwikkeling van de zeven brieven. De komst van Christus komt nu nadrukkelijk in beeld. Er is een toestand ontstaan die niet eenvoudig door menselijke inspanning volledig zal worden hersteld. De gelovige krijgt daarom de opdracht vast te houden. Niet iets nieuws te zoeken. Niet mee te gaan met de ontwikkeling. Maar te bewaren wat hij van Christus heeft ontvangen. Totdat Ik kom. Dat is de hoop. Niet de uiteindelijke overwinning van een kerkelijk systeem. Niet de gedachte dat de mens zelf alles zal herstellen. Christus komt. Daarom is trouw mogelijk, ook in een tijd van verval.

De wereld staat in brand. Maar ook de kerkgeschiedenis laat zien hoe ver het christelijke getuigenis zich kan verwijderen van zijn oorspronkelijke plaats. Juist daarom is de vraag van deze brief zo belangrijk. Wie heeft het gezag? De kerk? De traditie? Een geestelijke leider? Een instituut? Of Jezus Christus, de Zoon van God? Hij heeft ogen als een vuurvlam. Hij doorzoekt nieren en harten. Hij ziet de goede werken. Maar Hij beoordeelt ook de leer. Hij geeft tijd tot bekering. Hij kent degenen die niet meegaan. En tegen hen zegt Hij: ‘Houd vast wat u hebt, totdat Ik kom.’ Dat is de oproep waarmee dit eerste deel over Thyatira eindigt.

De gemeente kan veranderen. Kerkelijke systemen kunnen groeien. Menselijke tradities kunnen steeds meer gezag krijgen. Maar Jezus Christus verandert niet. Daarom is de taak van de gelovige niet om mee te bewegen met iedere ontwikkeling. De opdracht is: Houd vast. Aan Christus. Aan Zijn Woord. Aan het evangelie van genade. Totdat Hij komt.

Opname: juni 2026.

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s