(27.12) Daniël 9:1-21 “De smeekbede van Daniël”
Daniël 9 begint niet met een nieuw visioen, maar met een man die de Schriften leest. Daniël bestudeert de boeken van de profeten en ontdekt in de profetieën van Jeremia dat de verwoesting van Jeruzalem zeventig jaar zal duren. Die periode loopt bijna ten einde. Daniël heeft de verwoesting van Jeruzalem nooit onverschillig gelaten. Hoewel hij al vele jaren in Babel woont en daar een hoge positie heeft bekleed, blijft zijn hart verbonden met de stad van God. Hij is een geestelijk gezind man die acht slaat op de Schriften, juist in een tijd van verval.
Een belangrijk kenmerk van deze studie is de uitwerking van Gods Woord in het leven van Daniël. De profetie van Jeremia brengt hem niet tot de gedachte dat hij nu alleen maar hoeft af te wachten tot God Zijn belofte vervult. Daniël begrijpt dat de beloofde terugkeer samenhangt met berouw en bekering. Omdat hij die geestelijke toestand niet bij zijn volksgenoten ziet, richt hij zich tot God. Hij zoekt de Heer met gebed en smeekbeden, met vasten, in zak en as. Daarbij stelt Daniël zich niet boven zijn volk. Hij spreekt niet over ‘zij’ die gezondigd hebben, maar over ‘wij’. Zoals Mozes zich eens met het schuldige volk vereenzelvigde, zo neemt ook Daniël in zijn gebed de schuld van het volk op zich.
In deze studie wordt Daniëls gebed in zeven onderdelen verdeeld:
- God is heilig
- Daniël belijdt de schuld van het volk
- hij spreekt over de schaamte die hun toekomt
- opnieuw volgt schuldbelijdenis
- God wordt erkend als rechtvaardig
- Daniël vereenzelvigt zich opnieuw met de schuld van het volk
- ten slotte doet hij een dringend beroep op Gods barmhartigheid
De schuldbelijdenis is indringend. Daniël noemt de zonde niet vaag of algemeen. Vijfmaal klinkt wat ‘wij’ hebben gedaan: wij hebben gezondigd, onrecht gedaan, goddeloos gehandeld, zijn in opstand gekomen en hebben niet geluisterd. Daarmee erkent Daniël zowel persoonlijke als gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Hij belijdt de schuld van vorige generaties, van de leiders en van het volk, maar plaatst zichzelf niet buiten die schuld. Deze houding vertoont duidelijke overeenkomsten met andere grote gebeden van schuldbelijdenis in Ezra 9 en Nehemia 9.
Tegenover de ontrouw van het volk staat de volkomen rechtvaardigheid van God. Het oordeel dat over Jeruzalem en Israël is gekomen, is niet het gevolg van Gods ontrouw. God heeft rechtvaardig gehandeld. Het volk heeft niet geluisterd naar de profeten en zich niet bekeerd. Toch eindigt Daniël niet bij schuld en oordeel. Voorzichtig begint hij te spreken over vergeving en barmhartigheid. Niet omdat het volk daarop recht heeft, maar omdat barmhartigheid bij Gods eigen karakter hoort. Daar ligt uiteindelijk de enige grond waarop Daniël zijn gebed kan bouwen. Hij vraagt God om te horen, te vergeven en te handelen. Niet ter wille van de verdiensten van het volk, maar ter wille van Gods eigen Naam en Zijn grote barmhartigheid.
Daniël 9:1–21 laat zien wat er gebeurt wanneer Gods Woord werkelijk tot het hart spreekt. Daniël leest de Schrift, neemt haar serieus en wordt daardoor op de knieën gebracht. De profetie maakt hem niet hoogmoedig of alleen nieuwsgierig naar de toekomst, maar brengt hem tot verootmoediging en voorbede.
Daarmee vormt dit gedeelte ook een belangrijke voorbereiding op het vervolg van het hoofdstuk. Terwijl Daniël nog bidt, komt Gabriël om hem inzicht te geven in een van de meest bijzondere profetieën van de Bijbel: de profetie van de zeventig jaarweken.
Opname: februari 2023.
Deel deze video met anderen:






