(27.08) Daniël 6 “Daniël in de leeuwenkuil”

Daniël 6 vertelt een van de bekendste geschiedenissen uit het Oude Testament: Daniël in de leeuwenkuil. Maar het hoofdstuk gaat niet alleen over een wonderlijke redding. Het laat vooral zien welk leven aan die redding voorafgaat.

Daniël is inmiddels een oude man. Hij heeft de val van het Babylonische wereldrijk meegemaakt en leeft nu onder de heerschappij van de Meden en Perzen. Koningen en wereldrijken zijn gekomen en gegaan. Daniël is gebleven. Niet omdat hij zich telkens aan de omstandigheden heeft aangepast, maar omdat hij in alle omstandigheden trouw is gebleven aan God.

Darius stelt honderdtwintig stadhouders over het koninkrijk aan. Boven hen komen drie rijksbestuurders te staan, van wie Daniël er één is. Al snel onderscheidt Daniël zich van de anderen. Er is een uitzonderlijke geest in hem. De koning overweegt daarom hem over het hele koninkrijk aan te stellen. Dat wekt jaloezie. De andere bestuurders en stadhouders proberen een reden te vinden om Daniël aan te klagen. Zij onderzoeken zijn werk en zoeken naar fouten, nalatigheid of corruptie. Maar zij vinden niets. Daniël is betrouwbaar. Hij is niet nalatig. Er is geen verkeerde handelwijze bij hem te vinden. Dat is een indrukwekkend getuigenis. Zijn tegenstanders willen hem graag beschuldigen, maar zijn levenswandel geeft hun daarvoor geen enkele mogelijkheid. Daarom komen zij tot een andere conclusie: als zij Daniël willen treffen, moeten zij iets vinden dat te maken heeft met de wet van zijn God. De aanval richt zich uiteindelijk niet op een zwakke plek in Daniëls leven. Zijn trouw aan God wordt het doelwit.

De bestuurders gaan gezamenlijk naar koning Darius en stellen voor een koninklijke verordening uit te vaardigen. Dertig dagen lang mag niemand een verzoek richten tot enige god of mens behalve tot de koning. Wie het verbod overtreedt, zal in de leeuwenkuil worden geworpen. De koning laat zich overhalen. De wet wordt vastgelegd volgens de onveranderlijke wet van Meden en Perzen. Daniël hoort dat het bevelschrift is ondertekend. Dan volgt een van de belangrijkste momenten van het hoofdstuk. Daniël gaat naar zijn huis. De vensters van zijn bovenkamer staan open in de richting van Jeruzalem. Driemaal per dag knielt hij neer. Hij bidt. En hij dankt zijn God. Zoals hij dat vóór die tijd gedaan heeft. Daniël begint niet pas te bidden wanneer er gevaar dreigt. Zijn gebedsleven bestond al lang voordat het verbod werd uitgevaardigd. Maar hij stopt ook niet met bidden nu gebed levensgevaarlijk is geworden. Hij maakt geen opvallende demonstratie van zijn geloof. Hij zoekt het gevaar niet op. Hij doet eenvoudig wat hij altijd heeft gedaan. De open vensters in de richting van Jeruzalem laten zien dat Daniël Gods beloften kent. Hoewel hij al vele jaren in een vreemd land woont, blijft zijn hart verbonden met de stad die God heeft uitgekozen. Zijn vijanden weten precies waar zij hem kunnen vinden. Zij treffen Daniël aan terwijl hij bidt en smeekt voor het aangezicht van zijn God. Daarmee hebben zij de aanklacht waarop zij hebben gewacht.

Wanneer koning Darius hoort dat Daniël de wet heeft overtreden, beseft hij wat er is gebeurd. Hij probeert Daniël te redden en zoekt tot zonsondergang naar een mogelijkheid om aan het vonnis te ontkomen. Maar de wet die de koning zelf heeft ondertekend, bindt nu ook hem. Darius is koning, maar hij blijkt niet vrij. Hij kan Daniël niet redden. Daniël wordt naar de leeuwenkuil gebracht. De laatste woorden van de koning zijn opmerkelijk: ‘Uw God, Die u voortdurend vereert — Híj zal u verlossen.’ Darius heeft gezien dat Daniëls verhouding tot God geen tijdelijk of uiterlijk onderdeel van zijn leven is. Daniël dient Hem voortdurend.

Een steen wordt op de opening van de kuil gelegd en verzegeld. Menselijk gezien is er geen uitweg meer. De koning keert terug naar zijn paleis. Hij vast. Hij laat geen vermaak bij zich brengen. Hij kan niet slapen. Vroeg in de morgen haast hij zich naar de leeuwenkuil. Met bedroefde stem roept hij: ‘Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, Die u voortdurend vereert, u van de leeuwen kunnen verlossen?’ Dan klinkt Daniëls stem uit de kuil. God heeft Zijn engel gezonden. Hij heeft de muil van de leeuwen gesloten. Daniël is ongedeerd. Voor God is onschuld in hem gevonden en ook tegenover de koning heeft hij niets verkeerds gedaan. De koning is buitengewoon verheugd en laat Daniël uit de kuil halen. Er wordt geen enkel letsel bij hem gevonden. De reden wordt nadrukkelijk genoemd: hij had op zijn God vertrouwd.

Daniëls redding staat in scherp contrast met het lot van zijn aanklagers. De mannen die hem wilden vernietigen, komen zelf onder het oordeel dat zij voor Daniël hadden voorbereid. Daarna vaardigt Darius een bevel uit voor zijn hele koninkrijk. Mensen moeten beven en vrezen voor de God van Daniël. Hij is de levende God. Hij bestaat voor eeuwig. Zijn koninkrijk wordt niet te gronde gericht. Zijn heerschappij duurt tot het einde. Hij redt en bevrijdt. Hij doet tekenen en wonderen in hemel en op aarde. Hij heeft Daniël uit de klauwen van de leeuwen gered.

Daniël 6 laat zien wat langdurige trouw aan God betekent. In Daniël 1 was Daniël een jonge man die zich in zijn hart voornam zich niet te verontreinigen. In Daniël 6 is hij een oude man. Tussen die twee hoofdstukken ligt een heel leven. Maar zijn richting is niet veranderd. Hij is trouw in zijn werk. Hij is betrouwbaar tegenover mensen. Hij is standvastig in zijn gebedsleven. En wanneer trouw aan God hem zijn leven dreigt te kosten, verandert hij niet van koers.

De grote kracht van Daniël ligt niet in één heldhaftig moment. De leeuwenkuil wordt voorafgegaan door een leven van dagelijkse trouw. Driemaal per dag. Zoals hij dat vóór die tijd gedaan had.

Opname: december 2022.

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s