(68.05) “Een overzicht over de scheppingsdagen (2)”
In de eerste studie over de zeven scheppingsdagen stond vooral de historische betekenis van Genesis 1 en 2 centraal. God schiep hemel en aarde, bracht orde in de duisternis, vulde de zee, de lucht en het land met leven en schiep uiteindelijk de mens naar Zijn beeld en gelijkenis.
In deze tweede studie wordt een andere laag onderzocht. De scheppingsdagen vormen niet alleen het verslag van het ontstaan van de wereld. Zij functioneren ook als een groot geestelijk en profetisch raamwerk. In de verschillende dagen zijn lijnen herkenbaar die door de hele Bijbel heen terugkeren. Bij het zoeken naar zulke lijnen is voorzichtigheid nodig. Typologie mag niet in fantasie veranderen. Tegelijk blijkt Gods Woord zo rijk en samenhangend te zijn dat dezelfde patronen op veel verschillende plaatsen terugkomen.
De Bijbel begint met de schepping, maar Gods plannen beginnen niet pas op het moment dat de wereld wordt gemaakt. De gemeente was al vóór de grondlegging van de wereld in Gods gedachten. Dat betekent niet slechts dat God lang geleden een plan heeft bedacht. In de eeuwigheid is geen tijd. Zijn gedachten over Christus en de gemeente zijn zelf eeuwig. God heeft de schepping gemaakt om Zijn eeuwige voornemen uit te voeren. Daarom vinden we lijnen van dat voornemen vanaf de eerste hoofdstukken in de Bijbel terug.
Een eerste verband kan worden gelegd tussen de scheppingsdagen en de vijf boeken van Mozes. Genesis draagt het karakter van het begin en de oorsprong. Exodus spreekt van verlossing. Leviticus heeft de heiliging en de dienst tot onderwerp. Numeri beschrijft de woestijnreis en Deuteronomium kijkt vooruit naar het land en de voltooiing van Gods wegen met Zijn volk.
Ook de feesten van de HEERE in Leviticus 23 kunnen naast de zeven dagen worden gelegd. In beide gevallen ontstaat een lijn die begint met Gods eerste handelen en eindigt met rust en voltooiing.
Vervolgens wordt in de studie gekeken naar zeven hoofdpersonen uit het boek Genesis: Adam, Abel, Noach, Abraham, Izak, Jakob en Jozef. Hun levensgeschiedenissen blijken aan te sluiten bij de lijnen van de scheppingsdagen.
Op de eerste dag ligt duisternis over de aarde. Dan spreekt God en verschijnt het licht. Dat vormt een treffend beeld van de toestand van de mens van nature. Efeze 2 zegt dat de mens dood is in overtredingen en zonden. De mens kan niet zelf het licht voortbrengen. God moet spreken en Zijn licht laten schijnen. Dat zien we in de geschiedenis van Adam. Na de zondeval verbergt Adam zich voor God. Maar God zoekt hem op en stelt de eerste vraag aan de gevallen mens: ‘Adam, waar bent je?” Bekering begint niet met de mens die God zoekt, maar met God Die de mens zoekt en Zijn licht in diens duisternis laat schijnen.
Op de tweede dag wordt scheiding aangebracht. In de geestelijke toepassing kan daarin de strijd worden gezien die in een gelovige ontstaat nadat Gods licht heeft geschenen. Het oude en het nieuwe leven staan tegenover elkaar. Deze strijd wordt zichtbaar in Kaïn en Abel. Kaïn handelt uit het vlees en doodt zijn broer. Abel wordt een beeld van Christus, Die door Zijn broeders werd verworpen en gedood. Toch eindigt de lijn niet bij de dood van Abel. God geeft Seth. Zijn naam betekent plaatsvervanger. Daarin wordt iets zichtbaar van nieuw leven en van de lijn waarlangs uiteindelijk de Messias zal komen.
Op de derde dag verschijnt het droge land uit het water en brengt de aarde vrucht voort. Noach vormt daarvan een bijzonder beeld. Hij gaat door de wateren van het oordeel heen en komt op een gereinigde aarde terecht. Daarmee ontstaat een beeld van de doop en van het wandelen in nieuwheid van leven.Het eerste wat Noach na de zondvloed doet, is een altaar bouwen en God offers brengen. Hij heeft kennelijk begrepen waarom van de reine dieren niet slechts één paar, maar zeven dieren waren meegenomen. Nieuw leven brengt vrucht voort voor God.
In het tweede deel van de derde dag komt Abraham in beeld. Abraham is de pelgrim. Hij verlaat zijn land en gaat op reis naar de plaats die God hem zal wijzen. Zijn leven wordt gekenmerkt door een tent en een altaar. De tent laat zien dat hij een vreemdeling op aarde is. Het altaar spreekt van aanbidding en wat hij aan God brengt. Ook de gelovige van vandaag is als Abraham onderweg. Zijn werkelijke bestemming ligt niet in deze wereld.
De vierde dag wordt verbonden met Izak. De hemellichamen geven licht vanuit de hemel. Izak is in het boek Genesis de man die binnen het beloofde land blijft. Hij spreekt daardoor van de geestelijke en hemelse zegeningen. Zijn leven is niet zonder zwakheid, maar hij verwacht de zegen binnen de grenzen van het land dat God heeft gegeven.
De vijfde dag, waarop de zee en de lucht met levende wezens worden gevuld, wordt verbonden met Jakob. De zee is in de Bijbel vaak een beeld van de volken en van onrust. Jakobs leven wordt gekenmerkt door beproevingen, omzwervingen en eigen plannen. Hij probeert Gods belofte soms zelf in vervulling te brengen. Hij koopt het eerstgeboorterecht, bedriegt zijn vader en moet daarna vluchten. Daarin lijkt Jakob sterk op veel gelovigen. Hij valt, worstelt en kiest soms zijn eigen weg. Toch laat God hem niet los. Aan het einde van zijn leven is Jakob een aanbidder. God heeft hem door alle beproevingen heen gevormd.
Op de zesde dag staat de mens centraal. Daarmee wordt Jozef verbonden. In Jozef zien we heel duidelijk een beeld van Christus. Hij wordt door zijn broers verworpen, als slaaf verkocht en vernederd. Toch blijft hij in zijn lijden trouw. Uiteindelijk wordt hij verhoogd en krijgt hij een plaats van heerschappij. Zo mag ook het leven van de gelovige toegroeien naar één doel: dat Christus steeds meer centraal komt te staan.
Na deze persoonlijke lijn wordt gekeken naar Gods handelen in verschillende bedelingen. Een bedeling is een bepaalde periode waarin God de mens verantwoordelijkheid geeft volgens een bepaald beginsel. Het Nieuwe Testament spreekt over verschillende eeuwen of tijdperken. Er waren eeuwen in het verleden, er is een tegenwoordige eeuw en er komt een toekomstige eeuw. De toekomstige eeuw wordt verbonden met het nieuwe verbond. Jeremia 31 spreekt over een nieuw verbond dat God met het huis van Israël en het huis van Juda zal sluiten. Het zal niet zijn zoals het verbond dat Israël bij de uittocht uit Egypte heeft verbroken. God zal Zijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven. Dit verbond is nog toekomstig. Israël en Juda zijn nog niet als één volk in geestelijk herstel samengebracht en de toestand van het volk beantwoordt nog niet aan Jeremia’s beschrijving. In de Bijbel worden verschillende verbonden genoemd.
God sluit een verbond met Adam. Hij geeft hem een gebod en verbindt daaraan verantwoordelijkheid. Daarna komt het verbond met Noach, waarbij God belooft de aarde niet opnieuw door een watervloed te vernietigen. Vervolgens sluit God een verbond met Abraham. Hij belooft hem nageslacht, land en zegen. Abraham probeert echter eerst zelf Gods belofte te vervullen door Hagar te nemen. Daarna zwijgt God jarenlang. Wanneer God opnieuw tot hem spreekt, wordt de besnijdenis aan het verbond toegevoegd. Daarmee wordt duidelijk dat de belofte niet door menselijke kracht wordt vervuld. Daarna komt het verbond met Israël bij de Sinaï. Het volk zegt dat het alles zal doen wat God heeft gesproken. De geschiedenis laat zien hoe snel die belofte wordt gebroken. Vervolgens sluit God een verbond met David en belooft hem een blijvend koningshuis. Ook het verbond met Zedekia wordt genoemd. Het heeft betrekking op de periode van de heerschappij van de volken en de situatie waarin Israël onder vreemde macht komt. Ten slotte komt het nieuwe verbond met Israël.
Bij iedere bedeling zien we een vergelijkbaar patroon. God geeft zegen en verantwoordelijkheid. Het begin is vaak goed. Daarna faalt de mens. De periode eindigt in oordeel, terwijl een trouw overblijfsel bewaard blijft. Vervolgens begint God in genade opnieuw.
De gemeente neemt binnen dit geheel een unieke plaats in. Zij behoort niet eenvoudig tot de rij van aardse verbonden. God sluit met de gemeente geen verbond zoals met Israël, maar geeft haar genade en hemelse zegeningen. Efeze 3 gebruikt een bijzondere uitdrukking: ‘de eeuw van de eeuwen.’ Zoals het heilige der heiligen de heiligste plaats is, het Hooglied het lied der liederen en Christus de Koning der koningen, zo is de periode van de gemeente de eeuw die boven de andere eeuwen uitsteekt. De gemeente heeft geen oorsprong in de aarde en ook geen aardse bestemming. Haar oorsprong ligt in Gods eeuwige voornemen en haar toekomst is in de hemel. Een treffend beeld daarvan vinden we in Handelingen 10. Petrus ziet een kleed uit de hemel neerdalen waarin reine en onreine dieren samen zijn. Daarna wordt het kleed weer in de hemel opgenomen. Zo wordt de gemeente uit verschillende mensen gevormd, maar haar oorsprong en bestemming zijn hemels.
In de profetische lijn kunnen de eerste scheppingsdagen ook worden verbonden met Gods grote plan voor de mensheid. Adam staat aan het begin. In Kaïn en Abel wordt zichtbaar hoe Israël zijn Messias verwerpt. Abel wordt gedood door zijn broer. Daarna komt Seth als plaatsvervanger. In de lijn van Seth verschijnt Henoch. Hij wandelt met God en wordt opgenomen zonder te sterven. Henoch vormt daardoor een beeld van de gemeente, die vóór het oordeel wordt opgenomen. Kort daarna komt de zondvloed. Die vormt een beeld van de grote verdrukking die over de aarde zal komen. Noach gaat door het oordeel heen en verschijnt daarna op een gereinigde aarde. Hij vormt daarmee een beeld van het overblijfsel van Israël dat door de grote verdrukking heen wordt bewaard en het vrederijk binnengaat. Zo vinden we in de eerste dagen al een samenvatting van de grote profetische geschiedenis: de mens, het falen, de verwerping van Christus, de gemeente, de opname, de verdrukking en het toekomstige herstel.
Vanaf Abraham wordt deze lijn uitvoeriger herhaald. Abraham wordt uit de volken geroepen en vormt het begin van de geschiedenis van Israël. Izak wordt een beeld van de gemeente en van de hemelse zegen. Jakob spreekt van Israël in de tijd van beproeving en grote verdrukking. Jozef wordt door zijn broers verworpen, maar later verhoogd. Wanneer hij zich opnieuw aan zijn broers bekendmaakt, blijkt hij niet alleen te zijn. Hij heeft een vrouw. Die vrouw vormt een beeld van de gemeente. Wanneer Christus Zich in de toekomst opnieuw aan Israël zal bekendmaken, komt Hij eveneens niet alleen. De gemeente zal met Hem verschijnen. De wereld zal dan de heerlijkheid zien van Degene Die zij heeft verworpen. Zij zal ook zien dat Christus een bruid heeft verworven en dat mensen door Zijn werk werkelijk verlost en met Hem verbonden konden worden. De opname van de gemeente kan ieder moment plaatsvinden. Daarna volgen de laatste zeven jaren voordat Christus met Zijn gemeente in heerlijkheid verschijnt. Dat maakt de profetische boodschap niet alleen interessant, maar ook persoonlijk. De vraag is of wij gereed zijn om Hem te ontmoeten.
In Genesis 2 worden vooral de derde en de zesde dag nader uitgewerkt. In de typologische lijn spreekt de derde dag van Israël onder het oude verbond. Er is nog geen regen uit de hemel en er is nog geen mens om de aardbodem te bewerken. In de toepassing wordt daarin gezien dat Israël een aards volk was, terwijl de Messias nog niet was gekomen en de volle hemelse zegen nog niet aanwezig was. De aarde wordt door een waterstroom van onderaf bevochtigd. Het gaat om aardse zegen.
Daarna wordt de mens gevormd uit het stof van de aarde en blaast God Zijn adem in hem. Daarin wordt een beeld gezien van de Messias: werkelijk Mens, uit de aarde, maar tegelijk met goddelijk leven. God en Mens komen in Hem samen.
Op de aarde maakt God een bijzondere plaats: de hof van Eden. De hof is een ommuurde tuin en vormt in de toepassing een beeld van de plaats waar Christus woont en vanwaar de zegen naar buiten stroomt. Vanuit de hof gaat één rivier naar buiten, die zich daarna in vier rivieren verdeelt. In de studie worden deze rivieren verbonden met verschillende heerlijkheden van Christus zoals die in de vier evangeliën zichtbaar worden.
De Pison wordt verbonden met rijkdom en goddelijke heerlijkheid. Het gebied waar hij stroomt bevat goud. Dat sluit aan bij het evangelie naar Johannes, waarin Christus als de Zoon van God en de openbaring van Gods heerlijkheid naar voren komt. Ook de balsemhars en de onyxsteen krijgen betekenis. De balsemhars komt in verband met het manna voor en spreekt van de Mens Die uit de hemel is neergedaald. De onyxsteen wordt gedragen door de hogepriester en spreekt van de Mens in de hemel. Zo worden zowel Christus’ komst uit de hemel als Zijn huidige plaats in de hemel zichtbaar. De andere rivieren worden verbonden met Lukas, Markus en Mattheüs. Daarmee verschijnen de verschillende kanten van Christus’ heerlijkheid reeds in de beschrijving van Eden.
De zesde dag spreekt vervolgens van Israël onder het nieuwe verbond en van het vrederijk.
Maar zij spreekt ook van Christus en de gemeente. God zegt dat het niet goed is dat de mens alleen is. In de typologische toepassing wordt daarin Gods voornemen zichtbaar dat Christus niet alleen zou blijven. Hij zou een bruid ontvangen. Eva wordt niet afzonderlijk uit de aarde gevormd. Zij wordt genomen uit Adam, terwijl hij in een diepe slaap ligt. Die slaap vormt een beeld van de dood van Christus. Uit Hem wordt de gemeente gevormd. Daarna brengt God de vrouw bij Adam. Zij is zo nauw met hem verbonden dat Adam zegt: ‘Deze is been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees.’ De gemeente is niet alleen onder het gezag van Christus geplaatst, zoals de schepping onder Adam. Zij is met Hem verenigd. Er is een volledige eenheid van leven. Het huwelijk van Adam en Eva vormt daarmee een beeld van de verbinding tussen Christus en de gemeente. Die lijn loopt door tot Openbaring 19, waar de bruiloft van het Lam wordt beschreven. Wanneer Christus in heerlijkheid verschijnt, verschijnt Zijn bruid met Hem. Ook wanneer Hij het nieuwe verbond met Israël in werking stelt, verschijnt Hij niet als een eenzame Persoon, maar als de Bruidegom met Zijn gemeente.
Zo blijkt dat Genesis 1 en 2 veel meer bevatten dan alleen het verslag van de eerste week van de wereldgeschiedenis. In de scheppingsdagen liggen lijnen naar de persoonlijke bekering, de strijd tussen het oude en het nieuwe leven, de geschiedenis van Israël, de roeping van de gemeente, de verschillende verbonden, de verwerping en verhoging van Christus en de toekomstige voltooiing van Gods plannen. Dat alles leidt tot aanbidding. De studie eindigt daarom met de woorden uit Romeinen 11: ‘O diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen!’ Niemand heeft God geadviseerd en niemand heeft Hem eerst iets gegeven. Alles is uit Hem, door Hem en tot Hem. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Opname: september 2020.
Deel deze video met anderen:






