(68.07) “Een overzicht over Micha”
Het boek Micha begint met een indrukwekkende openbaring van de majesteit en heiligheid van God. De HEERE komt uit Zijn woonplaats, daalt neer en treedt op de hoogten van de aarde. De bergen smelten onder Hem en de dalen splijten als was voor het vuur. Met deze ernstige opening plaatst Micha zijn hoorders onmiddellijk voor de werkelijkheid van Wie God is. De boodschap van de profeet is niet gebaseerd op menselijke verontwaardiging of politieke analyse. God Zelf komt als Getuige en Rechter tegenover Zijn volk te staan.
De kleine profeten worden soms als moeilijke Bijbelboeken ervaren. Toch zegt Petrus dat het profetische Woord een lamp is die schijnt in een duistere plaats. Wie de verschillende perioden in Gods handelen leert onderscheiden, ontdekt steeds meer samenhang in de Bijbel.
Micha spreekt vanuit zijn eigen tijd, toen Israël onder de wet stond. Hij waarschuwt voor zonden die toen in het volk aanwezig waren en voor oordelen die gedeeltelijk al in de geschiedenis zijn gekomen. Tegelijk kijken zijn woorden vooruit naar de toekomstige grote verdrukking en naar het vrederijk waarin de Messias zal regeren. De profetieën hebben daardoor vaak meerdere lagen. Zij spreken over wat in Micha’s eigen tijd gebeurt, maar reiken verder naar gebeurtenissen die nog toekomstig zijn.
Over Micha zelf weten we niet veel. Zijn naam is een verkorte vorm van Michaël of Michaja en betekent: ‘Wie is als de HEERE?’ Die betekenis keert aan het einde van zijn profetie letterlijk terug, wanneer hij uitroept: ‘Wie is een God als U, Die de ongerechtigheid vergeeft?’
Micha komt uit Moreseth, een plaats in het zuidwesten van Juda, dicht bij het gebied van de Filistijnen. Toch moet hij zijn boodschap niet in de eerste plaats tot de Filistijnen brengen, maar tot het volk van God. In de geestelijke toepassing vormt Filistea een beeld van een vorm van christendom die uiterlijk dichtbij is, maar het werkelijke leven met God niet kent. Micha richt zich echter tot degenen die verantwoordelijkheid dragen als Gods volk.
Hij profeteert in de dagen van Jotham, Achaz en Hizkia, koningen van Juda. Zijn bediening valt binnen een periode van ongeveer zestig jaar. Micha maakt het einde van het noordelijke tienstammenrijk mee. Hij waarschuwt Samaria, maar tijdens zijn leven wordt het rijk in het jaar 722 voor Christus door de Assyriërs weggevoerd. Het zuidelijke rijk Juda blijft nog ongeveer 140 jaar bestaan, totdat het door Babel wordt weggevoerd. Micha is daarmee de laatste van de kleine profeten die optreedt terwijl zowel het noordelijke als het zuidelijke rijk nog bestaan.
Zijn woorden worden op verschillende plaatsen in de Bijbel geciteerd. In Jeremia wordt een uitspraak van Micha aangehaald wanneer Jeremia vanwege zijn ernstige boodschap met de dood wordt bedreigd. De leiders herinneren zich dat Micha eerder hetzelfde oordeel over Jeruzalem had aangekondigd. Dat redt Jeremia’s leven.
In Mattheüs 2 wordt Micha aangehaald wanneer de schriftgeleerden uitleggen dat de Messias in Bethlehem geboren zal worden. De Heer Jezus citeert eveneens woorden uit Micha wanneer Hij spreekt over verdeeldheid binnen gezinnen als gevolg van geloof en ongeloof.
Micha vertoont ook veel overeenkomsten met Jesaja. Beide profeten leven in dezelfde tijd en spreken op verschillende plaatsen vrijwel dezelfde woorden. Zij brengen dezelfde boodschap van God.
Het boek kan op verschillende manieren worden ingedeeld. Een natuurlijke indeling volgt de drie oproepen om te luisteren. In Micha 1 klinkt: ‘Luister, volken allemaal.’ In Micha 3 begint een nieuw gedeelte met: ‘Luister toch, hoofden van Jakob.’ In Micha 6 klinkt opnieuw: ‘Luister toch naar wat de HEERE zegt.’
Deze drie gedeelten vormen als het ware drie toespraken. In het eerste gedeelte wordt de algemene toestand geschetst. In het tweede wordt uitvoeriger ingezoomd op de leiders, priesters en profeten. In het derde roept God Zijn volk als in een rechtsgeding ter verantwoording.
Een andere indeling ziet de eerste drie hoofdstukken vooral als aanklacht en oordeel, terwijl vanaf hoofdstuk 4 de troost, het herstel en de Messias sterker naar voren komen. Beide lijnen laten zien dat Micha steeds spreekt over oordeel en genade. De genade is daarbij onlosmakelijk verbonden met de komst van de Messias. Hij wordt voorgesteld als de Doorbreker, als Koning, als Herder en als Degene Die vrede is. Maar Hij is ook de Messias Die bij Zijn eerste komst werd verworpen en op de kaak werd geslagen. Toch zal Hij terugkeren en Zijn rijk oprichten. Ook het overblijfsel neemt een belangrijke plaats in. Midden in het oordeel bewaart God mensen met wie Hij verdergaat.
In het eerste hoofdstuk worden Samaria en Jeruzalem direct aangesproken. De hoofdsteden staan voor de toestand van beide rijken. Juist in de centra van macht en godsdienst is de zonde vaak het sterkst zichtbaar. Samaria zal tot een puinhoop worden gemaakt. De reden wordt duidelijk genoemd: afgodsbeelden, hoerenloon en afgodendienst. Na de splitsing van het rijk had het tienstammenrijk geen toegang meer tot de tempel in Jeruzalem. De koningen richtten daarom een eigen, vervangende godsdienst op met gouden kalveren en zelfgekozen heiligdommen. Deze afgoderij ging gepaard met prostitutie en moreel verval. Het volk dat bij de Sinaï had beloofd alles te doen wat God gebood, was diep weggezonken in een godsdienst die volledig tegen Zijn Woord inging. Micha reageert daarop niet als een koele buitenstaander. Hij zegt dat hij zal rouwen, huilen en klagen. Zijn profetische boodschap raakt hemzelf. Hij spreekt niet alleen met opgeheven vinger tot anderen, maar draagt de toestand van het volk in zijn eigen hart. De wond is ongeneeslijk geworden en het kwaad heeft zelfs de poorten van Jeruzalem bereikt. De Assyrische vijand komt vanuit het noorden. Het tienstammenrijk wordt vernietigd en ook grote delen van Juda worden ingenomen. De vijand bereikt de poorten van Jeruzalem. Daar grijpt God echter in. In de dagen van Hizkia worden 185.000 Assyrische soldaten door één engel van de HEERE gedood. Zo zien we zowel Gods oordeel als Zijn bewaring.
Micha noemt vervolgens tien steden in Juda. Bij iedere naam gebruikt hij een woordspeling die past bij het aangekondigde oordeel. Een plaats waarvan de naam ‘huis van stof’ betekent, wordt opgeroepen zich in het stof te wentelen. Een plaats die ‘onoverwinnelijk’ betekent, moet de paarden inspannen om te vluchten. De namen die eens misschien iets positiefs uitdrukten, worden omgekeerd tot tekenen van vernedering. Het hoofdstuk eindigt met kaalscheren als beeld van rouw, hopeloosheid en schande.
In hoofdstuk 2 worden de concrete zonden van het volk genoemd. Mensen bedenken ’s nachts onrecht en voeren het ’s morgens uit zodra zij daartoe de macht hebben. Het gaat niet om een onbezonnen daad, maar om bewust beraamd kwaad. Zij begeren akkers en nemen ze af. Zij willen huizen en roven die. Zij onderdrukken mensen en nemen hun erfdeel in bezit. God had iedere familie in Israël een erfdeel gegeven. Dat erfdeel mocht niet onbeperkt worden vervreemd. Maar invloedrijke mensen proberen zich ten koste van zwakkeren te verrijken. Daarom zegt God dat Hij Zelf kwaad over dit geslacht beraamt. Wanneer zij het erfdeel van anderen niet respecteren, zal uiteindelijk niemand zijn eigen bezit kunnen behouden.
Naast sociale ongerechtigheid zijn er valse profeten. Zij willen niet dat Micha over zonde en oordeel spreekt. ‘Profeteer niet’, zeggen zij. Zij geven de voorkeur aan predikers die vertellen wat zij graag horen. Iemand die overvloed van wijn en sterke drank belooft, wordt door hen als een geschikte profeet beschouwd. Deze houding komt ook later in de Bijbel terug. Mensen verzamelen leraren die hun gehoor strelen. Maar een ware profeet spreekt niet wat de mensen graag willen horen. Hij spreekt wat God hem opdraagt.
Toch eindigt het gedeelte met hoop. God zal Jakob zeker verzamelen en het overblijfsel van Israël bijeenbrengen. De Doorbreker zal voor hen uitgaan. Dit is nog niet volledig in de geschiedenis vervuld. Het ziet vooruit naar de toekomst, wanneer de Messias als Koning en Herder Zijn volk verzamelt en naar buiten leidt.
Het tweede grote gedeelte begint in hoofdstuk 3 met de oproep aan de leiders van Jakob. Zij behoren het recht te kennen, maar doen juist het tegenovergestelde. Micha gebruikt zeer scherpe beeldspraak. De leiders stropen de huid van het volk, breken hun beenderen en eten als het ware het vlees van de mensen. Het gaat om leiders die hun positie niet gebruiken om te dienen, maar om zichzelf te verrijken. Wanneer zij later tot God roepen, zal Hij niet antwoorden. Ook de valse profeten worden veroordeeld. Hun boodschap hangt af van wat zij ontvangen. Wie hun iets geeft, krijgt vrede te horen. Tegen wie niets geeft, verklaren zij de oorlog. Daartegenover zegt Micha: ‘Ik daarentegen ben vol kracht door de Geest van de HEERE, van recht en heldenmoed.’ Hij staat als een eenling tegenover de politieke en godsdienstige leiders. Dat is geen menselijke zelfverzekerdheid. Micha weet dat zijn kracht uit Gods Geest komt.
Ook voor gelovigen vandaag ligt daar een les. Het is mogelijk veel verkeerds in de christenheid te constateren, maar de eerste vraag blijft welke plaats wijzelf innemen. Staan wij in afhankelijkheid van God en laten wij ons door Zijn Geest leiden?
Aan het einde van hoofdstuk 3 worden de hoofden, priesters en profeten gezamenlijk aangesproken. De leiders spreken recht voor geschenken. De priesters geven onderwijs voor loon. De profeten waarzeggen voor geld. Ondertussen beroepen zij zich op de aanwezigheid van de HEERE en menen zij dat hun geen kwaad kan overkomen. Maar uiterlijke godsdienst beschermt niet tegen Gods oordeel wanneer het leven in strijd is met Zijn wil. Daarom zal Sion als een akker worden omgeploegd, Jeruzalem tot puinhopen worden en de tempelberg tot een begroeide hoogte.
Deze woorden zijn in verschillende fasen in vervulling gegaan. Deuteronomium 28 kondigde al meerdere wegvoeringen aan. Het noordelijke rijk werd door Assyrië weggevoerd. Juda werd later door Babel in ballingschap gebracht. In het jaar 70 na Christus verwoestten de Romeinen Jeruzalem en werd het volk over de aarde verstrooid.
Maar Micha gaat nog verder. De tempelberg zou tot een begroeide heidense hoogte worden. Dat gebeurde na de opstand van Bar Kochba in het jaar 135. De Romeinen verwoestten Jeruzalem opnieuw en richtten op de tempelberg een heidense tempel voor Jupiter op. Juist deze profetie uit Micha werd later in Jeremia aangehaald en redde de profeet van de dood.
Na de volledige verwoesting van hoofdstuk 3 opent hoofdstuk 4 plotseling een schitterend toekomstperspectief. In het laatste der dagen zal de berg van het huis van de HEERE vaststaan boven de bergen. Volken zullen naar Jeruzalem trekken en zeggen: ‘Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE, naar het huis van de God van Jakob.’ Vanuit Sion zal de wet uitgaan en het Woord van de HEERE vanuit Jeruzalem.
De bekende woorden volgen dat zwaarden tot ploegscharen worden omgesmeed en speren tot snoeimessen. Geen volk zal meer tegen een ander het zwaard opheffen en zij zullen de oorlog niet meer leren. Deze woorden zijn gebruikt als symbool voor menselijke vredesorganisaties. Bij het gebouw van de Verenigde Naties staat een beeld dat naar deze tekst verwijst. Maar Micha zegt niet dat blijvende vrede vanuit New York of door menselijke diplomatie tot stand komt. De vrede komt vanuit Jeruzalem, wanneer de Heer Jezus Zelf regeert. De volken richten zich dan niet op een menselijke vergadering, maar op het Woord en het recht van de Messias. Ieder zal onder zijn wijnstok en vijgenboom zitten en niemand zal hem schrik aanjagen. Jeruzalem, dat nu vaak wordt veracht en voortdurend onder druk staat, zal dan het centrum van Gods regering op aarde zijn.
Tussen de verwoesting van hoofdstuk 3 en de heerlijkheid van hoofdstuk 4 moet echter iets gebeuren. God verzamelt een overblijfsel. Hij brengt bijeen wie kreupel en verdreven zijn en maakt hen tot een sterk volk. Zacharia beschrijft hoe in de toekomstige verdrukking twee derde van Israël zal omkomen. Een derde deel blijft over en wordt door het vuur gelouterd. Dat overblijfsel zal Gods naam aanroepen en door Hem worden erkend als Zijn volk. Micha kijkt soms vanuit de toekomst terug naar zijn eigen tijd. Juda zal naar Babel gaan, maar God zal het daaruit verlossen.
Daarna keert de profetie opnieuw terug naar de eindtijd, wanneer de volken tegen Israël worden verzameld en God uiteindelijk ingrijpt. Aan het einde van hoofdstuk 4 wordt de verwerping van de Messias aangekondigd. De Rechter van Israël wordt met een stok op de kaak geslagen. Dat spreekt van vernedering en schande. God zond door de eeuwen heen profeten tot Zijn volk. Uiteindelijk zond Hij Zijn eigen Zoon. Maar de Messias werd niet gespaard. Hij werd verworpen, mishandeld en gekruisigd.
Daarom begint het volgende hoofdstuk met het woord ‘daarom’. Omdat de Messias is verworpen, geeft God Israël over tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft. De barensnood spreekt van de toekomstige grote verdrukking. Door die diepe nood heen zal een nieuw en gelovig volk tevoorschijn komen. Midden in deze ernstige lijn staat de bekende profetie over Bethlehem-Efratha. Bethlehem is klein onder de geslachten van Juda, maar uit deze plaats zal Degene voortkomen Die Heerser zal zijn in Israël. Hij wordt werkelijk geboren. Maar tegelijk zijn Zijn oorsprongen van oudsher, van eeuwige dagen af. De Messias is werkelijk Mens, geboren in Bethlehem. Maar Hij is tegelijk God, de Eeuwige. Israël heeft daarom niet alleen een profeet of koning verworpen. Het heeft God Zelf in de Persoon van de Messias afgewezen.
Toch zal Hij terugkomen. Hij zal staan en Zijn kudde weiden in de kracht van de HEERE. Zijn grootheid zal reiken tot aan de einden van de aarde. ‘Deze zal vrede zijn.’ Christus brengt niet alleen vrede; Hij is Zelf de vrede.
Het overblijfsel krijgt in Micha 5 twee verschillende functies. Het zal als dauw en regen tot zegen zijn onder de volken. Maar het zal ook als een leeuw optreden tegenover de vijanden. Het brengt zowel zegen als oordeel.
Vervolgens zegt de HEERE herhaaldelijk: ‘Ik zal.’ Hij zal paarden, strijdwagens, steden, toverij en afgodsbeelden verwijderen. De Messias Zelf reinigt Zijn rijk van alles wat niet bij Zijn heerschappij past.
In hoofdstuk 6 begint het derde grote gedeelte. God voert als het ware een rechtszaak tegen Zijn volk. De bergen en de fundamenten van de aarde worden opgeroepen om als getuigen te luisteren. De HEERE vraagt: ‘Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan? Waarmee heb Ik u vermoeid?’ Hij herinnert hen aan Zijn trouw. Hij heeft hen uit Egypte geleid, uit het slavenhuis verlost en Mozes, Aäron en Mirjam gegeven. Tegenover Gods voortdurende goedheid staat Israëls ontrouw. Dan komt de vraag waarmee een mens voor God kan verschijnen. Moet hij komen met brandoffers, duizenden rammen of tienduizenden oliebeken? Zou zelfs het offeren van een eerstgeboren zoon voldoende zijn? God verlangt geen grote hoeveelheid uiterlijke godsdienst zonder werkelijk berouw. Hij heeft bekendgemaakt wat goed is: recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met God. Dat is geen manier om verlossing door eigen werken te verdienen. Het gaat om de vrucht van een werkelijk veranderd hart. God zoekt niet alleen uiterlijke belijdenis, maar innerlijke bekering. Daarna worden opnieuw de concrete zonden genoemd: oneerlijke weegschalen, geweld, leugen en bedrog.
Het laatste hoofdstuk begint met Micha’s persoonlijke klacht. Hij voelt zich als iemand die na de oogst nog naar vrucht zoekt, maar niets vindt. Er is nauwelijks een godvruchtige overgebleven. De onderlinge verhoudingen zijn volledig aangetast. Een zoon veracht zijn vader, een dochter staat tegen haar moeder op en iemands huisgenoten worden zijn vijanden. De Heer Jezus haalt deze woorden later aan om te laten zien dat Zijn komst eveneens verdeeldheid kan brengen wanneer de één gelooft en de ander niet. Bij Micha gaat het echter vooral om de ontwrichting van de samenleving door de algemene afval van God. Toch blijft Micha niet bij zijn wanhoop staan. ‘Ik echter zal uitzien naar de HEERE. Ik zal wachten op de God van mijn heil. Mijn God zal mij horen.’ Hij verwoordt daarmee ook de houding van het toekomstige overblijfsel. Het erkent Gods oordeel als rechtvaardig: ‘Ik zal de toorn van de HEERE dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd.’ Dat is werkelijke bekering. Niet langer wordt God beschuldigd, maar de eigen schuld wordt erkend. Tegelijk is er vertrouwen dat God de zaak van Zijn volk zal behartigen en het in het licht zal brengen.
Daarna verschijnt de Heer opnieuw als Herder en Koning, Die Zijn volk weidt en grote wonderen doet zoals in de dagen van de uittocht uit Egypte. De volken zullen Zijn macht zien en beschaamd worden.
Dan eindigt Micha met een van de mooiste lofprijzingen over Gods vergeving in het Oude Testament. De profeet keert terug naar de betekenis van zijn eigen naam: ‘Wie is een God als U?’ Wie is als de HEERE? Hij vergeeft de ongerechtigheid en gaat voorbij aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom. Hij houdt niet voor eeuwig vast aan Zijn toorn, want Hij vindt vreugde in goedertierenheid. God zal Zich opnieuw over Zijn volk ontfermen. Hij zal hun ongerechtigheden vertrappen en al hun zonden in de diepten van de zee werpen. Hij blijft trouw aan Jakob en bewijst goedertierenheid aan Abraham, overeenkomstig de eed die Hij aan de vaderen heeft gezworen. Zo eindigt de profetie niet bij de zonde van Israël of bij de verwoesting van Samaria en Jeruzalem. Het laatste woord is de trouw van God.
De mens faalt. Leiders, priesters en profeten misbruiken hun positie. De Messias wordt verworpen. Toch worden Gods beloften niet vernietigd. Er blijft een overblijfsel. De Messias komt opnieuw. Jeruzalem wordt het centrum van vrede en gerechtigheid. En de God Die rechtvaardig oordeelt, blijkt ook de God Die ongerechtigheid vergeeft. Daarom blijft aan het einde slechts de verwonderde vraag over: Wie is een God als U?
Opname: maart 2021.
Deel deze video met anderen:






