(35.01) Habakuk 1:1-11 “Waarom grijpt God niet in?”

Het boek Habakuk begint met een vraag die veel mensen herkennen: waarom grijpt God niet in? De profeet kijkt om zich heen en ziet geweld, onrecht, twist en onderdrukking. Hij weet dat God heilig en rechtvaardig is. Juist daarom begrijpt hij niet waarom de HEERE zo lang lijkt te zwijgen. Daarmee is Habakuk een bijzonder profetisch boek.

Bij veel profeten spreekt God tot de profeet en brengt de profeet vervolgens Gods boodschap aan het volk. In Habakuk ligt het accent anders. De profeet gaat met zijn vragen naar God en wij mogen als het ware meeluisteren naar het gesprek dat daarop volgt.

Habakuk spreekt met God. Hij stelt vragen. God antwoordt. Dat antwoord roept bij de profeet nieuwe vragen op. Vervolgens wacht hij opnieuw op wat de HEERE zal zeggen. Zo worden we in dit boek meegenomen op de geestelijke weg van een man die begint met verwarring en uiteindelijk eindigt in vertrouwen en aanbidding.

De serietitel ‘Leven door geloof’ is ontleend aan het centrale vers van het boek: ‘De rechtvaardige zal door zijn geloof leven.’ Deze woorden vormen niet alleen het hart van Habakuk, maar krijgen ook in het Nieuwe Testament een belangrijke plaats. Paulus haalt ze aan in de brief aan de Romeinen en in de brief aan de Galaten. Ook in de brief aan de Hebreeën keren zij terug. Daarmee blijkt dat de worsteling van Habakuk uitloopt op een waarheid die van grote betekenis is voor het hele leven met God. De profeet moet leren leven door geloof. Maar hij begint niet op dat hoogtepunt.

Hij begint met vragen. Over de persoon Habakuk weten we niet veel. Het boek noemt geen koning onder wie hij heeft geprofeteerd en geeft weinig persoonlijke gegevens. Toch kunnen we uit de inhoud van zijn profetie iets afleiden over de tijd waarin hij leefde. De Chaldeeën, oftewel de Babyloniërs, zijn bezig op te komen als een grote wereldmacht. Hun komst wordt aangekondigd als iets wat binnenkort zal gebeuren. Daarmee bevinden we ons waarschijnlijk in de laatste periode van het koninkrijk Juda, voordat Jeruzalem uiteindelijk door de Babyloniërs wordt ingenomen.

Het is een donkere tijd. De geestelijke toestand van het volk is slecht. Het recht wordt verdraaid. Geweld en onrecht nemen toe. De wet van God heeft haar kracht in het leven van het volk verloren. Tegen die achtergrond begint Habakuk zijn klacht. Hij vraagt: ‘Hoelang, HEERE, roep ik om hulp en luistert U niet?’ Dat is geen vraag van iemand die één keer heeft gebeden en onmiddellijk een antwoord verwacht. Het woord hoelang laat zien dat Habakuk al langere tijd roept. Hij heeft het kwaad gezien. Hij heeft eronder geleden. Hij heeft tot God geroepen. Maar voor zijn gevoel verandert er niets. Daarom wordt zijn vraag steeds dringender. Hij roept tot God over geweld, maar ziet geen redding. Dat brengt hem in verwarring.

Habakuk weet immers wie God is. Hij gelooft dat de HEERE rechtvaardig is. Hij weet dat God het kwaad niet goedkeurt. Maar wat hij om zich heen ziet, lijkt daarmee in strijd te zijn. Waarom laat God dit voortbestaan? Waarom grijpt Hij niet in? Habakuk vraagt vervolgens waarom God hem onrecht laat zien. Overal om hem heen zijn verwoesting en geweld. Twist ontstaat en ruzie laait op. De samenleving is diep aangetast. Daarom zegt de profeet dat de wet krachteloos is geworden. De wet is er nog. Het Woord van God is niet verdwenen. Maar in het praktische leven van het volk lijkt het geen gezag meer te hebben. Het recht komt niet meer tevoorschijn. De goddeloze omsingelt de rechtvaardige en daardoor wordt het recht verdraaid. Het probleem is dus niet alleen dat afzonderlijke mensen verkeerde dingen doen. De hele rechtsorde wordt aangetast. Wie het goede wil doen, komt steeds meer alleen te staan. Wie kwaad doet, lijkt de overhand te hebben. Dat maakt de vraag van Habakuk zo herkenbaar.

Ook gelovigen kunnen om zich heen kijken en zich afvragen waarom God bepaalde ontwikkelingen toelaat. Waarom kan onrecht zo lang doorgaan? Waarom lijkt kwaad soms te overwinnen? Waarom worden gebeden om verandering niet onmiddellijk verhoord? Habakuk verbergt die vragen niet. Hij brengt ze bij God. Dat is belangrijk. Zijn vragen brengen hem niet bij God vandaan, maar juist naar God toe. Hij begrijpt de HEERE niet, maar hij blijft wel met Hem spreken. Dan komt Gods antwoord.

De HEERE zegt dat Habakuk onder de volken moet kijken en goed moet opletten. Er gaat iets gebeuren waarover hij zich zal verbazen. God zegt zelfs dat Habakuk het nauwelijks zal geloven wanneer het hem wordt verteld. Dat is opmerkelijk. Habakuk dacht dat God niets deed. Maar God zegt in feite: Ik ben wel degelijk aan het werk. De profeet ziet het nog niet. Hij begrijpt het nog niet. Maar Gods handelen is al begonnen. Dat is een belangrijk thema in het boek.

De mens beoordeelt de werkelijkheid vaak vanuit wat hij op dat moment kan zien. Wanneer er geen zichtbare verandering komt, kan de gedachte ontstaan dat God niet handelt. Maar Gods antwoord aan Habakuk laat zien dat Hij ook werkt wanneer Zijn werk nog niet zichtbaar is. Alleen is het antwoord totaal anders dan de profeet had verwacht.

God zegt: ‘Want zie, Ik doe de Chaldeeën opstaan.’ De Chaldeeën zijn de Babyloniërs. In de tijd van Habakuk zijn zij bezig uit te groeien tot de nieuwe grote macht in het Midden-Oosten. Het Assyrische rijk verliest zijn macht en Babylon komt ervoor in de plaats. God zal dit volk gebruiken als instrument van Zijn oordeel over Juda. Dat is een schokkend antwoord. Habakuk vroeg waarom God niet ingreep tegen het kwaad in zijn eigen volk. Nu hoort hij dat God inderdaad zal ingrijpen. Maar Hij doet dat door een buitengewoon gewelddadig en machtig volk te laten komen.

De HEERE beschrijft de Chaldeeën als een bitter en onstuimig volk. Zij trekken over grote gebieden om woonplaatsen in bezit te nemen die niet van hen zijn. Zij zijn schrikwekkend en angstaanjagend. Zij erkennen geen gezag boven zichzelf. Hun recht en waardigheid gaan van henzelf uit. Dat is kenmerkend voor menselijke macht die zich van God heeft losgemaakt. De mens bepaalt zelf wat recht is. Hij maakt zijn eigen normen. Hij erkent geen hogere autoriteit.

De beschrijving van het Babylonische leger maakt duidelijk waarom zoveel volken bang voor hen zijn. Hun paarden zijn sneller dan luipaarden en feller dan wolven in de avond. Hun ruiters komen van ver. Zij vliegen als een arend die zich op zijn prooi stort. Alles in de beschrijving spreekt van snelheid. De vijand komt plotseling en is nauwelijks tegen te houden. Het leger komt voor geweld. De Chaldeeën verzamelen gevangenen als zand. Koningen maken weinig indruk op hen en machthebbers zijn voor hen iets om mee te spotten. Ook versterkte steden bieden geen werkelijke bescherming. De Babyloniërs werpen aarde op tegen een vesting en nemen haar in. Menselijke zekerheid blijkt niet bestand tegen deze macht. Voor Juda is dat een ernstige boodschap. Het volk kon denken dat Jeruzalem, de muren en de tempel bescherming boden. Maar wanneer God het oordeel laat komen, kan geen menselijke vesting dat tegenhouden. Toch eindigt de beschrijving van de Chaldeeën met een belangrijk detail. Hun kracht wordt hun god. Daarmee wordt duidelijk dat God hun houding en hun kwaad niet goedkeurt. Hij gebruikt hen als instrument, maar zij blijven verantwoordelijk voor hun eigen hoogmoed en geweld.

Dat brengt Habakuk bij een nog groter probleem. Zijn eerste vraag was: Waarom grijpt God niet in? Nu heeft God geantwoord dat Hij wel zal ingrijpen. Maar het antwoord roept onmiddellijk een tweede vraag op: Hoe kan God hiervoor juist de Chaldeeën gebruiken? Juda is schuldig. Dat ontkent Habakuk niet. Maar de Babyloniërs zijn nog gewelddadiger en goddelozer. Hoe kan een heilige God een goddeloos volk gebruiken om een ander volk te oordelen? Daarmee begint de diepere worsteling van Habakuk. De profeet moet leren dat Gods wegen groter zijn dan zijn eigen begrip. God is niet verplicht om te handelen op de manier die Habakuk verwacht. Hij is ook niet afwezig wanneer de profeet Hem niet begrijpt. Dat is een moeilijke les.

Habakuk krijgt geen eenvoudig antwoord waarmee al zijn vragen onmiddellijk verdwijnen. Integendeel. Het eerste antwoord van God maakt zijn probleem aanvankelijk alleen maar groter. Toch is dat het begin van zijn geestelijke groei. De profeet zal moeten leren wachten. Hij zal moeten leren luisteren. Hij zal moeten leren vertrouwen op het karakter van God wanneer hij Gods handelen niet kan begrijpen. Dat is de weg die uiteindelijk leidt naar het centrale woord van het boek: ‘De rechtvaardige zal door zijn geloof leven.’

Leven door geloof betekent niet dat alle vragen zijn opgelost. Het betekent ook niet dat de gelovige altijd begrijpt waarom God bepaalde dingen doet of toelaat. Habakuk laat zien dat geloof juist nodig is wanneer wat we zien en wat we weten over God moeilijk met elkaar te verbinden lijken. De profeet ziet onrecht. Hij bidt. God lijkt te zwijgen. Dan ontdekt hij dat God wel degelijk handelt. Maar Gods antwoord is anders en ingrijpender dan hij had verwacht. Zo begint Habakuks weg van vragen naar geloof.

Aan het begin van het boek zegt hij: Waarom grijpt God niet in? Aan het einde zal hij kunnen zeggen dat hij zich in de HEERE verheugt, zelfs wanneer de vijgenboom niet bloeit, er geen vrucht aan de wijnstok is en de velden geen voedsel voortbrengen. Tussen die twee momenten ligt de geestelijke weg die in deze serie wordt gevolgd. Een weg waarop Habakuk leert dat God werkt wanneer hij het niet ziet. Dat God rechtvaardig blijft wanneer hij Zijn wegen niet begrijpt.

Opname: mei 2022

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s