(35.02) Habakuk 1:12-2:20 “Waarom grijpt God zó in?”
In de eerste lezing stelde Habakuk de vraag waarom God niet ingreep. De profeet keek om zich heen en zag geweld, onrecht, twist en onderdrukking. De wet leek krachteloos te zijn geworden en het recht werd verdraaid. Habakuk riep tot God, maar voor zijn gevoel veranderde er niets. Toen kwam het antwoord van de HEERE. God deed wel degelijk iets. Hij zou de Chaldeeën, de Babyloniërs, laten opkomen. Dit machtige en gewelddadige volk zou Juda binnenvallen en Gods oordeel over het volk brengen. Maar daarmee is het probleem van Habakuk niet opgelost. Integendeel.
Het antwoord op zijn eerste vraag roept een nog moeilijkere tweede vraag op. Eerst vroeg hij: Waarom grijpt God niet in? Nu vraagt hij: Waarom grijpt God zó in? Hoe kan God een volk gebruiken dat nog goddelozer en gewelddadiger is dan Juda?
Habakuk begint zijn tweede vraag op een bijzondere manier. Hij begint niet met de Babyloniërs. Hij begint met God. ‘Bent U niet van oudsher de HEERE, mijn God, mijn Heilige?’ De profeet begrijpt Gods handelen niet, maar hij weet nog wel Wie God is. Dat is belangrijk voor de hele geestelijke weg van Habakuk. Zijn vragen brengen hem niet bij God vandaan. Hij houdt juist vast aan wat hij van de HEERE weet. God is van eeuwigheid. Hij is Habakuks God. Hij is de Heilige. Hij is de Rots. Dat zijn geen onbelangrijke woorden. Juist omdat Habakuk weet Wie God is, durft hij zijn vragen te stellen.
Hij zegt dat de HEERE de Chaldeeën heeft gesteld tot een oordeel en hen heeft aangewezen om te straffen. Habakuk begint dus te begrijpen dat de opkomst van Babylon niet buiten Gods bestuur omgaat. De Babyloniërs denken dat zij vanuit hun eigen macht handelen. Zij trekken op om gebieden te veroveren. Zij vertrouwen op hun leger. Maar achter de zichtbare geschiedenis staat de regering van God. De HEERE gebruikt hen als instrument van Zijn oordeel. Toch blijft er een groot probleem. Habakuk zegt dat Gods ogen te rein zijn om het kwaad aan te zien en dat Hij het onrecht niet kan aanschouwen. Hoe kan deze heilige God dan de trouwelozen verdragen? Waarom zwijgt Hij wanneer de goddeloze iemand verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf? Habakuk zegt niet dat Juda onschuldig is. Hij heeft zelf in het eerste hoofdstuk het geweld en onrecht in zijn eigen volk aangeklaagd. Hij weet dat het oordeel verdiend is. Maar wanneer hij Juda vergelijkt met de Babyloniërs, ontstaat er een nieuw probleem. Hoe kan God een nog goddelozer volk gebruiken om een schuldig volk te straffen? Dat is een vraag die in de geschiedenis vaker terugkomt.
God kan mensen, volken en machten gebruiken om Zijn plannen uit te voeren zonder daarmee hun kwaad goed te keuren. Zij handelen vanuit hun eigen motieven en blijven voor hun daden verantwoordelijk. Dat wordt in het vervolg van de lezing steeds duidelijker.
Habakuk vergelijkt de mensen met vissen in de zee. De Babyloniërs vangen hen met een haak. Zij slepen hen mee in hun net. Zij verzamelen volken alsof het vissen zijn. De machtige veroveraar maakt geen onderscheid. Mensen worden prooi. Wanneer het net vol is, verheugt hij zich. Maar dan gebeurt er iets wat de kern van het probleem zichtbaar maakt. De Babyloniër offert aan zijn net en brengt reukoffers aan zijn vangnet. Waarom? Omdat hij denkt dat zijn succes aan zijn eigen middelen en macht te danken is. Zijn net heeft hem rijk gemaakt. Zijn leger heeft hem de overwinning gegeven. Zijn kracht heeft hem groot gemaakt. Daarom aanbidt hij uiteindelijk zijn eigen macht. Dat is afgoderij. De mens kan niet alleen een beeld van hout of steen tot god maken. Hij kan ook zijn eigen kracht, mogelijkheden, bezit of succes de plaats geven die alleen God toekomt.
Habakuk vraagt daarom of de Babyloniër altijd zijn net zal blijven leegmaken. Zal hij zonder medelijden volken blijven doden? Komt er geen einde aan zijn macht? De profeet heeft zijn vraag gesteld. Dan besluit hij te wachten.
Aan het begin van hoofdstuk 2 zegt Habakuk dat hij op zijn wachtpost zal gaan staan. Hij neemt zijn plaats in op de vesting. Daar zal hij uitzien om te zien wat de HEERE tot hem zal spreken. Dat is een belangrijke stap in zijn geestelijke ontwikkeling. Habakuk heeft gesproken. Nu wil hij luisteren. Hij heeft zijn vragen bij God gebracht, maar hij bepaalt niet zelf het antwoord. Hij wacht. Dat is niet altijd eenvoudig. Wij willen vaak snel begrijpen waarom bepaalde dingen gebeuren. We zoeken een verklaring waarmee alles op zijn plaats valt. Habakuk leert dat hij op God moet wachten.
Dan antwoordt de HEERE. De profeet moet het visioen opschrijven en duidelijk op tabletten aanbrengen, zodat iemand het snel kan lezen. Wat God bekendmaakt, is dus niet alleen voor Habakuk zelf bedoeld. De boodschap moet worden vastgelegd. Het visioen heeft betrekking op een vastgestelde tijd. Het kan lijken alsof de vervulling uitblijft. Daarom zegt God: ‘Als het uitblijft, verwacht Hem, want Hij komt zeker.’
Dat is een van de grote lessen van dit boek. Gods tijd is niet altijd onze tijd. Wat voor de mens lang lijkt te duren, is daarom nog niet onzeker. God heeft een vastgestelde tijd. Zijn woord zal worden vervuld. De vraag is hoe de mens in de tussentijd leeft. Dan stelt God twee soorten mensen tegenover elkaar. Aan de ene kant staat de opgeblazen mens. Zijn ziel is niet oprecht in hem. Hij vertrouwt op zichzelf. Hij leeft vanuit zijn eigen kracht. Daartegenover staat de rechtvaardige. En dan klinkt het centrale woord van het hele boek: ‘De rechtvaardige zal door zijn geloof leven.’ Dit is het hart van Habakuk.
Het antwoord op de vragen van de profeet is niet dat hij voortaan alles zal begrijpen. God geeft hem geen volledig overzicht waarin elk detail wordt verklaard. Habakuk moet leren leven door geloof. De hoogmoedige leeft vanuit zichzelf. De rechtvaardige leeft in vertrouwen op God. Dat vers krijgt later een bijzondere plaats in het Nieuwe Testament. Paulus haalt het aan in de brief aan de Romeinen. Hij gebruikt het opnieuw in de brief aan de Galaten. Ook in de brief aan de Hebreeën wordt het aangehaald. Daarmee blijkt hoe fundamenteel deze woorden zijn. De mens leeft niet doordat hij alles begrijpt. Hij leeft niet door zijn eigen kracht. Hij leeft door geloof.
Vervolgens richt de profetie zich opnieuw op de hoogmoedige veroveraar. De Babyloniër wordt beschreven als iemand die nooit genoeg heeft. Zijn begeerte is groot als het dodenrijk. Hij verzamelt volken en brengt naties onder zijn macht. Maar degenen die hij heeft overwonnen, zullen uiteindelijk een spotlied over hem aanheffen.
Dan volgen vijf wee-uitspraken. Steeds opnieuw klinkt het woord: ‘Wee.’ De eerste wee-uitspraak richt zich tegen iemand die verzamelt wat niet van hem is. De Babyloniërs hebben zich verrijkt met de bezittingen van anderen. Zij hebben volken beroofd en rijkdommen verzameld. Maar de rollen zullen worden omgekeerd. Degenen die beroofd zijn, zullen opstaan. Wie anderen heeft geplunderd, zal zelf geplunderd worden. Het oordeel sluit opnieuw aan bij de aard van de zonde.
De tweede wee-uitspraak gaat over oneerlijk verkregen winst. De mens probeert voor zichzelf een veilig nest te bouwen. Hij wil hoog wonen, buiten het bereik van het kwaad. Hij denkt dat bezit en macht hem veiligheid geven. Maar wat hij als bescherming heeft opgebouwd, wordt uiteindelijk een getuigenis tegen hem. De steen uit de muur zal roepen en de balk uit het houtwerk zal antwoorden. De hele bouwwerken dragen als het ware de sporen van het onrecht waarmee zij tot stand zijn gekomen. De mens denkt dat hij zijn veiligheid bouwt. In werkelijkheid bouwt hij zijn eigen schande.
De derde wee-uitspraak richt zich tegen het bouwen van een stad met bloed en het vestigen van een stad op onrecht. Menselijke rijken worden vaak opgebouwd door geweld. Volken worden onderworpen. Mensen worden uitgebuit. Steden worden gebouwd met de rijkdom die door anderen is verkregen. Maar uiteindelijk werken de volken voor het vuur en vermoeien de natiën zich voor niets. Alles wat de mens zonder God opbouwt, zal verdwijnen.
Dan klinkt midden in de oordeelsaankondiging plotseling een geweldige belofte: ‘Want de aarde zal vol worden met de kennis van de heerlijkheid van de HEERE, zoals het water de bodem van de zee bedekt.’ Dat is de toekomst waar de geschiedenis naartoe gaat. Op dit moment lijkt de aarde vol van menselijke macht, geweld en hoogmoed. Babylon lijkt de wereld te beheersen. Maar Babylon heeft niet het laatste woord. Er komt een tijd waarin niet de heerlijkheid van de mens, maar de heerlijkheid van de HEERE de aarde zal vullen. En niet een klein deel van de aarde. De kennis van Zijn heerlijkheid zal de aarde bedekken zoals het water de bodem van de zee bedekt. Dat geeft Habakuk een totaal ander perspectief. Hij kijkt naar de opkomst van een machtig rijk. God laat hem kijken naar het uiteindelijke doel van de geschiedenis.
De vierde wee-uitspraak gaat over het vernederen van anderen. De ander wordt dronken gemaakt om zijn naaktheid te kunnen zien. Wat als vermaak en overwinning wordt beschouwd, zal echter terugkeren op degene die het doet. De beker van de rechterhand van de HEERE zal naar hem toekomen. Wie anderen heeft vernederd, zal zelf met schande worden bedekt. Ook het geweld tegen het land, de dieren en de mensen zal niet worden vergeten.
De vijfde en laatste wee-uitspraak richt zich tegen de afgoderij. Wat heeft een gesneden beeld voor nut? Een mens maakt het zelf en vertrouwt vervolgens op het werk van zijn eigen handen. Hij zegt tegen een stuk hout dat het wakker moet worden en tegen een zwijgende steen dat hij moet opstaan. Maar een beeld kan niet spreken. Het kan geen leiding geven. Het kan niet redden. Het is bedekt met goud en zilver, maar er is geen levensadem in. De tegenstelling met de levende God kan nauwelijks groter zijn.
En dan eindigt hoofdstuk 2 met een indrukwekkende uitspraak: ‘Maar de HEERE is in Zijn heilige tempel.’ De afgoden zwijgen omdat zij niet leven. Maar de HEERE leeft. Hij regeert. Hij is in Zijn heilige tempel. Daarom klinkt de oproep: ‘Laat heel de aarde voor Hem zwijgen.’
Habakuk begon met vragen. Waarom grijpt God niet in? Daarna kwam de nog moeilijkere vraag: Waarom grijpt God zó in? Aan het einde van hoofdstuk 2 zijn niet alle vragen op een eenvoudige manier verdwenen. Maar de profeet heeft iets groters gezien. De Chaldeeën hebben niet het laatste woord. Hun macht is tijdelijk. Hun hoogmoed zal worden geoordeeld. Het kwaad zal niet voor altijd voortgaan. De aarde zal vol worden van de kennis van de heerlijkheid van de HEERE. En boven alle bewegingen van volken, koningen en wereldrijken staat één werkelijkheid vast: de HEERE is in Zijn heilige tempel. Daarom kan de rechtvaardige leven. Niet omdat hij alles begrijpt. Niet omdat de omstandigheden gemakkelijk zijn. Niet omdat hij weet hoe God elk probleem zal oplossen. Maar omdat hij gelooft.
Dat is de weg die Habakuk leert gaan. De rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
Opname: mei 2022
Deel deze video met anderen:






