(29.02) Joël 1:1-2:17 “Een oproep tot bekering”

Na de inleiding op het boek Joël begint de profeet zijn eigenlijke boodschap met een ramp die het land heeft getroffen. Een ongekende sprinkhanenplaag heeft vrijwel alles verwoest. Wat de ene soort sprinkhaan heeft overgelaten, is door de volgende opgegeten. Het land is kaalgevreten en de gevolgen zijn overal merkbaar.

Joël roept de oudsten en alle inwoners van het land op om goed te luisteren. Wat er is gebeurd, is zo uitzonderlijk dat zij hun kinderen erover moeten vertellen, en die kinderen op hun beurt weer aan de volgende generatie. De ramp mag niet zomaar worden vergeten. Het volk moet leren om in de gebeurtenissen die het treffen de stem van God te herkennen.

Opvallend is dat Joël steeds verschillende groepen aanspreekt. Eerst worden de oudsten en alle inwoners van het land opgeroepen om te luisteren. Daarna richt hij zich tot de drinkers. Zij moeten wakker worden en wenen, omdat de wijnstok is verwoest en de nieuwe wijn hun is ontnomen. Vervolgens worden de landbouwers en wijngaardeniers aangesproken. Zij moeten zich schamen en weeklagen, omdat de oogst van het veld verloren is gegaan. Ook de priesters kunnen niet buiten de gevolgen van de ramp blijven. Doordat het land niets meer voortbrengt, ontbreken ook het spijsoffer en het plengoffer in het huis van de HEERE. De verwoesting raakt daarmee niet alleen het dagelijks leven en de economie van het land, maar ook de dienst aan God. De priesters worden daarom opgeroepen om zich met rouwgewaad te omgorden, een vasten uit te roepen en een bijzondere samenkomst te houden. Het volk moet worden bijeengeroepen in het huis van de HEERE om tot Hem te roepen. De gebeurtenissen vragen om meer dan praktische maatregelen. Er is verootmoediging nodig voor Gods aangezicht.

Zo wordt duidelijk dat Joël de sprinkhanenplaag niet alleen als een natuurramp beschrijft. De profeet leert het volk om achter de zichtbare omstandigheden te kijken.  Wat gebeurt er werkelijk? Wat heeft God door deze gebeurtenissen te zeggen? De ramp moet het volk wakker schudden en terugbrengen bij de HEERE.

Tegelijk krijgt de beschrijving steeds meer een profetische betekenis. De sprinkhanenplaag in Joëls dagen vormt de achtergrond voor een veel groter en ernstiger gebeuren: de dag van de HEERE. Wat het land nu heeft meegemaakt, is een waarschuwing voor wat nog zal komen. Daarom klinkt de ernstige uitroep: ‘Ach, die dag!’ De dag van de HEERE is nabij en zal komen als een verwoesting van de Almachtige. Het land is verdroogd, het voedsel is verdwenen en zelfs de dieren zuchten. De hele schepping ondervindt de gevolgen van het oordeel.

Aan het begin van hoofdstuk 2 klinkt de bazuin op Sion. Er moet alarm worden geslagen op Gods heilige berg. Alle inwoners van het land moeten beven, want de dag van de HEERE komt. Wat eerst werd aangeduid, wordt nu uitvoerig beschreven. Joël spreekt over een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisternis. Een groot en machtig volk trekt op. De beschrijving vertoont duidelijke overeenkomsten met de sprinkhanenplaag, maar gaat daar tegelijk bovenuit. De sprinkhanen en het toekomstige leger lijken in de profetische beschrijving als het ware in elkaar over te lopen.

Voor het leger uit ligt het land als de hof van Eden; erachter blijft een woeste wildernis over. Niets ontkomt eraan. De aanvallers trekken ordelijk voort, breken niet uit hun gelederen en laten zich niet tegenhouden. Zij dringen de stad binnen, beklimmen de muren en komen de huizen binnen.

De ernst van de beschrijving wordt nog groter wanneer Joël zegt dat de HEERE Zelf Zijn stem laat klinken voor Zijn leger uit. Daarmee wordt duidelijk dat de gebeurtenissen niet buiten Gods gezag om plaatsvinden. De machten die optrekken, handelen vanuit hun eigen bedoelingen, maar uiteindelijk houdt God de leiding over de geschiedenis. Dat roept een indringende vraag op: wie zal de dag van de HEERE kunnen verdragen?

Juist op dat dieptepunt klinkt echter een van de belangrijkste oproepen van het boek. De HEERE zegt: ‘Bekeert u tot Mij met uw hele hart.’ Er is nog een weg terug. Het naderende oordeel betekent niet dat God geen genade meer wil bewijzen. De bekering waartoe God oproept, moet werkelijk vanuit het hart komen. Vasten, wenen en rouwklagen kunnen daarbij horen, maar uiterlijke vormen zijn niet voldoende. Daarom klinkt de bekende oproep: ‘Scheurt uw hart en niet uw klederen.’

In de tijd van de Bijbel kon iemand zijn kleren scheuren als teken van diepe rouw of ontzetting. Maar een uiterlijk teken kan gemakkelijk losraken van wat er werkelijk in het hart leeft. God zoekt geen godsdienstige schijn. Hij wil dat het hart zelf wordt geraakt en dat de mens werkelijk tot Hem terugkeert. De reden om terug te keren ligt niet in de goedheid van de mens, maar in het karakter van God. Joël herinnert het volk eraan dat de HEERE genadig en barmhartig is, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Juist omdat God zo is, is er hoop voor een volk dat zich voor Hem verootmoedigt.

Joël vraagt: ‘Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben?’ De profeet schrijft God niet voor wat Hij moet doen. Het volk kan geen aanspraak maken op herstel. Maar het mag zich wel werpen op Gods genade en barmhartigheid. Daarom moet opnieuw de bazuin op Sion worden geblazen. De eerste keer klonk de bazuin als alarmsignaal voor de naderende dag van de HEERE. Nu klinkt zij om het volk bijeen te roepen tot vasten en verootmoediging. Niemand wordt van deze samenkomst uitgesloten. De oudsten moeten komen, maar ook de kinderen en zelfs de zuigelingen. Bruidegom en bruid moeten hun kamer verlaten. De toestand is zo ernstig dat het hele volk zich voor Gods aangezicht moet verzamelen.

Vooral de priesters krijgen een bijzondere verantwoordelijkheid. Zij moeten wenen tussen de voorhal en het altaar en tot God roepen: ‘Spaar Uw volk, HEERE.” Daarbij pleiten zij niet alleen op de nood van Israël, maar ook op de eer van Gods Naam. Waarom zouden de volken spottend vragen waar hun God is?

Zo eindigt dit gedeelte met het volk dat voor Gods aangezicht wordt gebracht. De verwoesting van het land, de naderende dag van de HEERE en de machteloosheid tegenover het oordeel leiden tot één dringende boodschap: bekeer u tot de HEERE.

Deze lezing laat zien dat Bijbelse profetie niet alleen bedoeld is om toekomstige gebeurtenissen te kennen. De aankondiging van wat God gaat doen, richt zich altijd ook tot het hart. De vraag is niet alleen wat er zal gebeuren, maar ook hoe de mens vandaag tegenover God staat.

Joël 1:1–2:17 is daarom een ernstig gedeelte, maar niet zonder hoop. Midden in de aankondiging van het oordeel klinkt Gods eigen uitnodiging om tot Hem terug te keren. Wie werkelijk beseft wie God is, ontdekt dat Hij niet alleen de God is Die rechtvaardig oordeelt, maar ook de God Die genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid is.

Opname: november 2021

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s