(06.10) Jozua 8 “De ondergang van Ai en het altaar op de berg Ebal”

Na de pijnlijke nederlaag uit Jozua 7 trekt Israël opnieuw op tegen Ai. De verborgen zonde van Achan is geoordeeld en de gemeenschap met de HEERE is hersteld. Nu klinkt opnieuw Gods bemoedigende woord tot Jozua: ‘Wees niet bevreesd en wees niet ontsteld.’

Jozua 8 laat zien dat een geestelijke nederlaag niet het einde hoeft te zijn. Wanneer het kwaad in Gods licht wordt gebracht en geoordeeld, is er een weg van herstel. Maar het hoofdstuk laat ook zien dat herstel niet betekent dat het volk nu in eigen kracht verder kan. De overwinning komt alleen door nauwkeurige gehoorzaamheid aan het Woord van de HEERE.

Het hoofdstuk valt uiteen in twee grote delen: de ondergang van Ai en de gebeurtenissen bij het altaar op de berg Ebal.

In de studie wordt eerst teruggekeken op de drie steden die in de eerste fase van de strijd uitvoerig worden beschreven: Jericho, Ai en Gibeon. Jericho spreekt van de wereld als een machtig systeem dat tegenover God staat. Ai laat de zwakheid van Gods volk en het gevaar van zelfvertrouwen zien. Bij Gibeon zal later blijken hoe gevaarlijk de list van de vijand is.

De grote les van Ai is dat de kracht van de vijand niet de beslissende factor is. De werkelijke zwakheid ontstaat wanneer Gods volk op eigen kracht vertrouwt. Juist omdat Ai klein leek, meende Israël de strijd zonder volledige afhankelijkheid van de HEERE te kunnen voeren. Nu geeft God Zelf de opdracht om opnieuw tegen Ai op te trekken. Ditmaal moet het hele krijgsvolk meegaan. In de geestelijke strijd kan geen lid van Gods volk eenvoudig aan de kant blijven staan. Iedere gelovige moet leren niet op eigen kracht te vertrouwen, maar samen met anderen te strijden en gehoorzaam te zijn aan de opdracht van de Heer.

Jozua krijgt opdracht een hinderlaag achter de stad te leggen. Dertigduizend strijdbare mannen worden in de nacht uitgezonden. De nacht wordt in de studie verbonden met de huidige tijd, waarin de Heer niet zichtbaar aanwezig is maar Zijn volk wel roept tot waakzaamheid, gehoorzaamheid en strijd. De strategie is opvallend. Israël moet voor de mannen van Ai vluchten, net als bij de eerste aanval. De vijand denkt opnieuw te winnen en verlaat daardoor de bescherming van de stad. Hierin ligt een belangrijke geestelijke les: de overwinning wordt niet behaald door zelfvertrouwen, maar langs de weg van het erkennen van eigen zwakheid.

Wanneer de mannen van Ai uit de stad zijn gelokt, strekt Jozua op bevel van de HEERE de werpspies in zijn hand uit. Dit is het teken voor de mannen in de hinderlaag om de stad in te nemen en in brand te steken. De uitgestrekte werpspies wordt vergeleken met de staf van Mozes. Zoals Mozes bij de strijd tegen Amalek zijn handen opgeheven hield, zo houdt Jozua de werpspies uitgestrekt totdat de overwinning volledig is behaald. De aandacht wordt daarmee niet gericht op menselijke militaire kracht, maar op de leiding en het gezag van de Heer.

Ai wordt van twee kanten ingesloten. De vijand die meende Israël opnieuw te kunnen verslaan, ontdekt dat er geen uitweg meer is. De overwinning wordt behaald doordat Israël precies handelt overeenkomstig het woord dat de HEERE aan Jozua heeft gegeven.

De koning van Ai wordt levend gevangengenomen en later aan een boom gehangen. Zijn lichaam wordt vóór zonsondergang van de boom genomen, in overeenstemming met de wet van Mozes. Bij de stadspoort wordt een grote steenhoop opgericht als blijvend getuigenis.

Daarna verandert het karakter van het hoofdstuk volledig. De strijd maakt plaats voor aanbidding en het luisteren naar Gods Woord. Israël trekt naar de bergen Ebal en Gerizim, zoals Mozes eerder had opgedragen. Op de berg Ebal bouwt Jozua een altaar van hele, onbewerkte stenen. Er mag geen ijzeren werktuig overheen zijn gegaan. De mens mag niets toevoegen aan wat van God komt. Het altaar spreekt van Christus en Zijn offer, niet van menselijke prestaties. Op het altaar worden brandoffers en dankoffers gebracht. Daarmee wordt zichtbaar dat iedere strijder ook een aanbidder moet zijn. Het doel van de geestelijke strijd is niet de strijd zelf, maar dat God geëerd wordt en Zijn volk van de gemeenschap met Hem geniet.

Naast het altaar wordt de wet op grote stenen geschreven. In de studie wordt daarbij gewezen op het volledige Woord van God als grondslag voor het leven van Zijn volk. Niet menselijke ervaring of eigen inzicht bepaalt de weg, maar wat God heeft gesproken. Vervolgens wordt de hele wet voorgelezen. Het volk staat verdeeld over de berg Gerizim, de berg van de zegen, en de berg Ebal, de berg van de vloek. De ark bevindt zich in het midden. Mannen, vrouwen, kinderen en vreemdelingen luisteren naar de woorden van God.

De plaats is bijzonder. Tussen Ebal en Gerizim ligt Sichem, waar Abraham eeuwen eerder een altaar voor de HEERE had gebouwd. Ook Jakob kwam in dit gebied. Hier ontmoeten de onvoorwaardelijke beloften aan Abraham en de verantwoordelijkheid van Israël onder de wet elkaar.

De wet stelt het volk voor een ernstige verantwoordelijkheid. Gehoorzaamheid brengt zegen; ongehoorzaamheid brengt de vloek. De latere geschiedenis zal laten zien dat Israël het land uiteindelijk verliest op grond van zijn ontrouw aan dit verbond.

Jozua 8 begint daarom met herstel na een nederlaag en eindigt met het altaar en het Woord van God. Dat is een veelzeggende volgorde. Geestelijke overwinning kan alleen worden behaald door afhankelijkheid en gehoorzaamheid, maar het uiteindelijke doel is dat Gods volk leeft in aanbidding en luistert naar alles wat Hij heeft gesproken.

Opname: januari 2024.

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s