(06.16) Jozua 14 “De verdeling van Kanaän en het erfdeel van Kaleb”

Met Jozua 14 begint de verdeling van het land ten westen van de Jordaan. De grote gezamenlijke veldtochten zijn voorbij. Vanaf nu ontvangt iedere stam zijn eigen erfdeel en wordt het steeds meer de persoonlijke verantwoordelijkheid om dat erfdeel ook daadwerkelijk in bezit te nemen.

In de eerste hoofdstukken van Jozua trok het hele volk gezamenlijk op. Maar vanaf Jozua 14 wordt het land verdeeld onder de negen-en-een-halve stam die in Kanaän hun erfdeel ontvangen. Daarna moeten de afzonderlijke stammen, families en personen zelf verder strijden om het hun toegewezen gebied werkelijk te bezitten. Daarin ligt een belangrijke geestelijke les. God geeft Zijn volk gezamenlijk een rijke erfenis, maar iedere gelovige wordt ook persoonlijk geroepen om de zegening die God heeft geschonken te kennen, te waarderen en in bezit te nemen. Een ander kan niet voor ons geloven, gehoorzamen of geestelijk groeien.

Bij de verdeling van het land worden drie partijen genoemd: Eleazar, Jozua en de familiehoofden.

Eleazar is de hogepriester. Zijn naam betekent: ‘God helpt’. Hij spreekt van de Heer Jezus als de Hogepriester in de hemel. Jozua, wiens naam betekent: ‘de HEERE is Redder’, wijst op de Heer Jezus Die door Zijn Geest in en bij de gelovigen woont en hen binnenleidt in de geestelijke zegeningen. Samen laten Eleazar en Jozua twee kanten van het werk van de Heer Jezus zien: Christus voor ons in de hemel en Christus door Zijn Geest in en bij ons op aarde. De familiehoofden vertegenwoordigen de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke families binnen het volk. Het erfdeel is niet alleen een zaak van het volk als geheel, maar wordt ook op het niveau van stammen en families beleefd.

Het land wordt door het lot verdeeld. Daarmee wordt zichtbaar dat de verdeling niet berust op menselijke voorkeur of eigen keuze. God bepaalt het erfdeel. Tegelijk blijft de persoonlijke verantwoordelijkheid bestaan om het toegewezen gebied daadwerkelijk in bezit te nemen.

Opnieuw worden de tweeënhalve stammen genoemd die hun erfdeel al ten oosten van de Jordaan hadden ontvangen. Levi krijgt geen aaneengesloten gebied zoals de andere stammen, maar ontvangt steden om in te wonen. De zonen van Jozef worden als twee stammen gerekend: Efraïm en Manasse. Zo blijft het aantal stammen dat een gebied ontvangt twaalf.

Daarna komt Kaleb naar voren. Hij is een van de indrukwekkendste voorbeelden van persoonlijk geloof en geestelijke volharding in het Oude Testament. Kaleb behoort tot de stam Juda. Hij komt samen met de Judeeërs naar Jozua in Gilgal en herinnert hem aan wat de HEERE vijfenveertig jaar eerder door Mozes in Kades-Barnea heeft gezegd. Kaleb was toen veertig jaar oud en behoorde tot de twaalf verspieders die het land onderzochten. Tien van hen brachten een verslag dat het hart van het volk deed smelten. Zij zagen de sterke steden en de reuzen en concludeerden dat Israël het land niet kon innemen. Kaleb zag dezelfde vijanden. Hij zag dezelfde versterkte steden. Hij zag dezelfde reuzen. Maar hij kwam tot een andere conclusie. Het verschil lag niet in de omstandigheden, maar in het geloof. Kaleb zegt dat hij verslag uitbracht zoals het in zijn hart was. Zijn hart was gericht op de HEERE. Daarom liet hij zich niet beheersen door wat zijn ogen zagen.

Mozes had hem daarop beloofd dat het land waarop zijn voet had gestaan, zijn erfdeel zou worden. De reden wordt meerdere keren genoemd: Kaleb had de HEERE volkomen gevolgd. Dat betekent niet dat Kaleb volmaakt of zondeloos was. Het betekent dat zijn hart onverdeeld op de HEERE gericht was. Hij volgde God niet gedeeltelijk of alleen wanneer de omstandigheden gunstig waren. Vijfenveertig jaar zijn verstreken sinds de belofte. Veertig jaar daarvan heeft Kaleb doorgebracht in de woestijn als gevolg van het ongeloof van anderen. Hij behoorde zelf tot de gelovige minderheid, maar moest toch samen met het hele volk de gevolgen van hun ongeloof dragen. Daarin ligt een bijzondere les. Ook een gelovige kan te maken krijgen met de gevolgen van het falen van anderen. Toch hoeft dat niet tot bitterheid of geestelijke achteruitgang te leiden. Kaleb heeft vijfenveertig jaar gewacht. En na al die jaren is zijn geloof niet zwakker geworden. Hij zegt dat de HEERE hem in leven heeft gehouden. Op vijfentachtigjarige leeftijd is hij nog even sterk als toen hij veertig was. Hij is nog steeds in staat om uit te gaan en ten strijde te trekken. Deze woorden vormen een bijzondere bemoediging voor oudere gelovigen. Geestelijke kracht is niet afhankelijk van lichamelijke leeftijd. De uiterlijke mens wordt ouder, maar de innerlijke mens kan van dag tot dag vernieuwd worden.

Dan spreekt Kaleb zijn beroemde verzoek uit: ‘Geef mij dan nu dit bergland.’ Hij vraagt niet om het gemakkelijkste gebied. Hij kiest niet voor een rustige plaats waar de strijd al voorbij is. Juist in het gebied dat hij vraagt, wonen de Enakieten en liggen grote, versterkte steden. Dezelfde reuzen die vijfenveertig jaar eerder zoveel angst hadden veroorzaakt, staan nog steeds in het gebied dat Kaleb als erfdeel wil ontvangen. Maar Kaleb zegt: ‘Misschien zal de HEERE met mij zijn, zodat ik hen verdrijf.’ Dat ‘misschien’ is geen uiting van ongeloof. Kaleb twijfelt niet aan de trouw van God. Hij beseft dat hij volledig afhankelijk is van de HEERE. Zijn kracht ligt niet in zichzelf. De woorden ‘de HEERE met mij’ vormen de sleutel tot zijn geloof. Kaleb vertrouwt niet op zijn ervaring, zijn leeftijd, zijn vroegere overwinningen of zijn eigen kracht. Hij verwacht alles van de aanwezigheid van God. Jozua zegent Kaleb en geeft hem Hebron als erfdeel.

Hebron betekent ‘gemeenschap’. Dat is een veelzeggende naam. Het erfdeel van de man die de HEERE volkomen volgde, wordt verbonden met gemeenschap. Hebron heeft bovendien een rijke Bijbelse geschiedenis. Abraham woonde er en bouwde er een altaar voor de HEERE. In de spelonk van Machpela werden de aartsvaders begraven. Later wordt Hebron het beginpunt van het koningschap van David en ook een Levietenstad. Tegelijk herinnert Hebron aan het einde van de natuurlijke mens. In de graven van Machpela liggen Abraham, Sara, Izak, Rebekka, Jakob en Lea. Zo komen gemeenschap met God en het einde van de natuurlijke mens op een bijzondere manier samen.

Het hoofdstuk eindigt opnieuw met de woorden dat het land rustte van de oorlog.

Jozua 14 laat zien dat geestelijk bezit niet afhankelijk is van leeftijd of gunstige omstandigheden. Kaleb wacht vijfenveertig jaar op de vervulling van Gods belofte, maar zijn geloof blijft krachtig. Hij kijkt niet naar de reuzen. Hij kijkt naar de HEERE. En daarom durft hij op vijfentachtigjarige leeftijd te zeggen: ‘Geef mij dan nu dit bergland.’

Opname: april 2024.

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s