(06.21) Jozua 19 “Het erfdeel van de laatste zes stammen en van Jozua”
In Jozua 19 wordt de verdeling van het beloofde land voltooid. Nadat Juda, Efraïm, Manasse en Benjamin hun erfdeel hebben ontvangen, komen nu de laatste zes stammen aan de beurt: Simeon, Zebulon, Issaschar, Aser, Naftali en Dan.
Het hoofdstuk eindigt op een bijzondere manier. Pas wanneer alle stammen hun erfdeel hebben ontvangen, krijgt ook Jozua zelf een gebied. De man die jarenlang voor het hele volk heeft gestreden en leiding heeft gegeven bij de verdeling van het land, ontvangt als laatste zijn persoonlijke erfdeel.
Jozua 19 laat daarmee opnieuw zien dat God voor ieder van Zijn kinderen een eigen plaats en een eigen erfdeel heeft. Niet iedere stam ontvangt hetzelfde gebied. De grootte, ligging en omstandigheden verschillen, maar ieder erfdeel wordt door God bepaald.
De eerste stam die in dit hoofdstuk wordt genoemd, is Simeon. Het erfdeel van Simeon ligt midden in het gebied van Juda. De reden daarvoor is dat het erfdeel van Juda te groot was. Daarom ontvangt Simeon een aantal steden binnen het gebied dat eerder aan Juda was toegewezen. Daarin wordt zichtbaar dat de grenzen tussen de stammen niet bedoeld zijn om Gods volk van elkaar los te maken. Iedere stam heeft een eigen verantwoordelijkheid, maar de verschillende erfdelen zijn nauw met elkaar verbonden.
De geschiedenis van Simeon is opmerkelijk. Jakob had in Genesis 49 aangekondigd dat Simeon en Levi onder Israël verstrooid zouden worden. Bij Levi kreeg deze verstrooiing door Gods genade een bijzondere betekenis: de Levieten werden over het land verspreid om God te dienen. Simeon ontvangt geen groot, zelfstandig gebied, maar steden binnen Juda. Toch heeft ook Simeon een eigen erfdeel. Gods regering en menselijke verantwoordelijkheid nemen Zijn genade niet weg.
Daarna ontvangt Zebulon zijn gebied. De grenzen en steden van Zebulon worden beschreven. In de zegen van Jakob wordt Zebulon verbonden met de zee en met schepen. Mozes verbindt Zebulon met het uitgaan en met vreugde. In de studie wordt daarbij stilgestaan bij de plaats die God aan iedere stam geeft. Niet iedereen heeft dezelfde taak. De ene stam woont in het zuiden, de andere in het noorden. Sommigen leven bij de kust, anderen in het bergland of in een vruchtbare vlakte. Het gaat er niet om dat wij het erfdeel van een ander ontvangen, maar dat wij leren kennen wat God ons heeft toevertrouwd.
De derde stam is Issaschar. Het gebied van Issaschar ligt in een bijzonder vruchtbaar deel van het land. Jakob had Issaschar vergeleken met een sterke ezel die rust tussen de lasten en ziet dat het land aangenaam is. Issaschar wordt daarmee verbonden met dienst en het dragen van lasten. Geestelijke zegen leidt niet tot passiviteit. Wie geniet van wat God geeft, wordt ook geroepen om Hem te dienen en verantwoordelijkheid te dragen.
Daarna wordt het erfdeel van Aser beschreven. Aser ontvangt een gebied in het westen en noorden van het land, langs de kust. Zijn naam betekent ‘gelukkig’ of ‘welgelukzalig’. Jakob had gesproken over het rijke voedsel van Aser en Mozes over olie waarin hij zijn voet zou dopen. De stam wordt daarmee verbonden met overvloed en rijkdom. Maar juist bij grote zegen blijft de vraag of het erfdeel werkelijk in bezit wordt genomen en voor God wordt gebruikt.
Vervolgens komt Naftali aan de beurt. Zijn gebied ligt in het noorden van Kanaän. Jakob noemt Naftali een losgelaten hinde die mooie woorden voortbrengt. Mozes spreekt over Naftali als verzadigd van gunst en vol van de zegen van de HEERE. In de studie wordt hierbij gewezen op vrijheid en op de rijkdom van Gods gunst. Ware geestelijke vrijheid betekent niet dat de mens zijn eigen weg gaat. Zij wordt gevonden in het genieten van de zegen van de Heer en in het leven naar Zijn wil.
De laatste stam die zijn erfdeel ontvangt, is Dan. Bij Dan ontstaat opnieuw een probleem. Het toegewezen gebied blijkt moeilijk in bezit te nemen. De vijanden zijn sterk en de stam slaagt er niet in het hele erfdeel werkelijk te veroveren. Daarom trekken de Danieten later naar het noorden en nemen zij de stad Lesem in, die zij vervolgens Dan noemen. Dit roept een belangrijke vraag op. Wat doen we wanneer het door God gegeven erfdeel moeilijk in bezit te nemen is? De oplossing is niet om zelf een gemakkelijker gebied te zoeken. God bepaalt het erfdeel en geeft ook de kracht om de strijd te voeren. Wanneer Zijn volk terugschrikt voor de vijand, ontstaat het gevaar dat het een eigen oplossing zoekt.
De latere geschiedenis van Dan is ernstig. Juist in het noorden wordt Dan een centrum van afgoderij. Wat begint met het zoeken van een eigen plaats, kan uiteindelijk grote geestelijke gevolgen krijgen. Met het erfdeel van Dan is de verdeling onder de stammen voltooid.
Dan gebeurt iets opvallends. Jozua ontvangt zijn erfdeel als laatste. Het volk geeft hem, overeenkomstig het bevel van de HEERE, de stad waar hij om heeft gevraagd: Timnath-Serah in het bergland van Efraïm. Jozua bouwt de stad op en gaat er wonen. De man die vanaf het begin leiding heeft gegeven aan de strijd, heeft niet eerst voor zichzelf gezorgd. Hij heeft gewacht totdat de stammen hun erfdeel hebben ontvangen. Daarin vormt Jozua een bijzonder beeld van de Heer Jezus. De Heer Jezus heeft Zichzelf niet gezocht. Hij heeft Zich ingezet voor de heerlijkheid van God en voor de zegen van Zijn volk. Hij brengt de Zijnen in hun erfdeel en ontvangt uiteindelijk Zelf de plaats die Hem toekomt.
De naam Timnath-Serah wordt verbonden met de gedachte aan een ‘overvloedig deel’. In Richteren wordt de plaats Timnath-Heres genoemd. De namen herinneren eraan dat Jozua uiteindelijk zelf ook deelt in het land waarvoor hij zo lang heeft gestreden. Opnieuw wordt duidelijk dat geestelijke dienst en persoonlijk genieten van Gods zegen niet tegenover elkaar staan. Wie zich voor anderen inzet, heeft zelf ook een erfdeel nodig.
Het hoofdstuk eindigt met de mededeling dat Eleazar, Jozua en de familiehoofden de erfdelen door het lot hebben toegewezen voor het aangezicht van de HEERE, bij de ingang van de tent van ontmoeting in Silo. Daarmee is de verdeling voltooid. Het land is niet willekeurig verdeeld. De stammen hebben niet eenvoudig gekozen wat hun het aantrekkelijkst leek. Het erfdeel wordt toegewezen voor het aangezicht van de HEERE.
Dat blijft de grote les van Jozua 19. God geeft ieder een eigen plaats. De erfdelen verschillen, maar ieder deel komt van Hem. De vraag is niet of wij hetzelfde ontvangen als een ander, maar of wij het terrein dat God ons heeft toevertrouwd werkelijk kennen, waarderen en in bezit nemen. En boven alles wijst het slot op Jozua: de leider die wacht tot het volk zijn erfdeel heeft ontvangen en daarna zelf zijn plaats inneemt.
Opname: september 2024.
Deel deze video met anderen:






