(06.07) Jozua 5 “Gilgal, de laatste voorbereidingen”

Israël is door de Jordaan getrokken en staat nu in het beloofde land. Toch begint de strijd niet onmiddellijk. Voordat Jericho kan worden ingenomen, zijn er eerst belangrijke voorbereidingen nodig. Jozua 5 laat zien dat geestelijke overwinning niet begint met activiteit en menselijke kracht, maar met het oordeel over het vlees, het genieten van het voedsel van het land en een ontmoeting met de Bevelhebber van het leger van de HEERE.

Het hoofdstuk begint met de angst van de vijanden. De koningen van de Amorieten en Kanaänieten horen dat de HEERE de Jordaan voor Israël heeft drooggelegd. Hun hart smelt en alle moed verdwijnt. Door de Rode Zee ontkwam Israël aan de vijand in Egypte; door de Jordaan gaat het volk de vijand in Kanaän tegemoet. Toch blijkt opnieuw dat de overwinning uiteindelijk van God komt.

Daarna brengt de HEERE Zijn volk naar Gilgal, waar de besnijdenis plaatsvindt. De mannen die tijdens de woestijnreis geboren zijn, waren nog niet besneden. Nu het volk het land is binnengegaan, moet eerst worden weggedaan wat spreekt van het vlees. De besnijdenis wordt in de studie verbonden met het oordeel over de zondige natuur van de mens. De Jordaan spreekt van het met Christus gestorven en opgewekt zijn; Gilgal laat zien dat deze waarheid ook praktisch moet worden toegepast. Wat God in Christus met de oude mens heeft gedaan, moet in het dagelijkse leven werkelijkheid worden. De werking van het vlees moet worden veroordeeld en afgelegd. Daarbij wordt teruggegaan naar de oorsprong van de besnijdenis bij Abraham. God had hem een talrijk nageslacht beloofd en een verbond met hem gesloten. Maar Abraham probeerde de belofte eerst in menselijke kracht te realiseren door Hagar. De besnijdenis maakt duidelijk dat Gods beloften niet door de kracht van het vlees worden vervuld.

Ook de plaats waar de besnijdenis gebeurt, is veelzeggend: de heuvel van de voorhuiden. De heuvel wordt verbonden met de verhoging van de mens en de werking van het vlees. Maar wat uit de oude mens voortkomt, heeft geen plaats in het land van Gods zegeningen. Alleen wie praktisch leeft vanuit het oordeel over het vlees, is voorbereid op de geestelijke strijd.

Na de besnijdenis moet het volk enige tijd in het legerkamp blijven totdat het hersteld is. Daarna zegt de HEERE dat Hij de smaad van Egypte van Israël heeft afgewenteld. De plaats krijgt daarom de naam Gilgal, die verbonden is met het afwentelen. Egypte spreekt van de wereld waaruit God Zijn volk heeft verlost. Het volk is nu niet alleen uit Egypte geleid, maar moet ook praktisch loskomen van de beginselen van Egypte.

Vervolgens viert Israël het Pascha. Het volk denkt terug aan het bloed van het lam en aan de verlossing uit Egypte. Ook in het beloofde land blijft de herinnering aan de verlossing het uitgangspunt. Geestelijke groei betekent nooit dat het werk van Christus achter ons komt te liggen. Integendeel: hoe meer de gelovige van Gods zegening leert kennen, hoe kostbaarder de Heer Jezus en Zijn offer worden.

De dag na het Pascha eet Israël voor het eerst van de opbrengst van het land: ongezuurde broden en geroosterd koren. Daarna houdt het manna op. In de woestijn had God Zijn volk dagelijks met manna gevoed. Nu ontvangt het ander voedsel. Deze verschillende vormen van voedsel spreken van verschillende aspecten van Christus. Het Pascha wijst op Christus als het geslachte Lam. Het manna spreekt van de Heer Jezus in Zijn vernedering en Zijn leven op aarde. Het voedsel van het land richt de aandacht op Christus als de gestorven, opgestane en verheerlijkte Heer. De gelovige heeft al deze aspecten nodig om geestelijk gevoed te worden.

Het hoofdstuk eindigt met een indrukwekkende ontmoeting. Wanneer Jozua bij Jericho is, ziet hij een Man tegenover zich staan met een uitgetrokken zwaard in Zijn hand. Jozua vraagt: ‘Hoort U bij ons of bij onze tegenstanders?’ Het antwoord luidt: ‘Nee, maar Ik ben de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Nu ben Ik gekomen.’

Jozua moet leren dat de beslissende vraag niet is of de Heer aan onze kant staat, maar of wij ons onder Zijn gezag stellen. De strijd om het land is niet Jozua’s strijd. De werkelijke Bevelhebber is Christus Zelf. Het uitgetrokken zwaard spreekt van het Woord van God, dat oordeelt en onderscheid maakt. Het leger van de HEERE wordt in de studie verbonden met de gelovigen en met de hemelse machten die God ter beschikking staan. De strijd is geestelijk en kan alleen onder het gezag van de goddelijke Bevelhebber worden gevoerd.

Jozua valt neer en aanbidt. Hij vraagt wat zijn Heer tot Zijn dienaar te zeggen heeft. Daarna moet hij zijn schoenen uittrekken, want de plaats waar hij staat is heilig. Zoals Mozes bij de brandende braamstruik, moet ook Jozua leren dat dienst en strijd beginnen met eerbied voor de heiligheid van God.

Jozua 5 laat daarmee drie noodzakelijke voorbereidingen zien voordat de strijd werkelijk begint: Gilgal, het voedsel van het land en de Bevelhebber van het leger van de HEERE. Het vlees moet worden geoordeeld, de gelovige moet zich voeden met Christus en de strijd moet worden gevoerd onder Zijn gezag.

Opname: december 2023.

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s