(33.03) Micha 6-7 “Een rechtszaak met Israël”

De laatste twee hoofdstukken van Micha vormen het derde grote gedeelte van het boek. Opnieuw klinkt aan het begin de oproep om te horen: ‘Hoort toch wat de HEERE zegt.’

In Micha 1–2 stond vooral het oordeel over het volk centraal. In Micha 3–5 kwam Jeruzalem in beeld, met tegenover het falen van de leiders de belofte van de komende Koning uit Bethlehem. Nu, in hoofdstuk 6 en 7, wordt Israël als het ware voor de rechter geroepen. De HEERE heeft een rechtszaak met Zijn volk. Micha moet opstaan en zijn zaak voor de bergen bekendmaken. De heuvels moeten zijn stem horen. Daarna worden de bergen en de fundamenten van de aarde opgeroepen om te luisteren naar de aanklacht van de HEERE. Dat is een indrukwekkend beeld.

De bergen zijn er al eeuwen. Zij hebben als het ware de hele geschiedenis van Gods omgang met Zijn volk meegemaakt. Nu worden zij als getuigen opgeroepen bij de rechtszaak die God met Israël voert. Maar opvallend genoeg begint de HEERE niet onmiddellijk met een opsomming van de zonden van het volk. Hij begint met een vraag: ‘Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan?’ Daarna vraagt Hij: ‘Waarmee heb Ik u vermoeid?’ Het is alsof God Zijn volk uitnodigt om aan te wijzen waarin Hij tegenover hen is tekortgeschoten. Hebben zij reden om Hem te verlaten? Heeft Hij hen slecht behandeld? Is Hij ontrouw geweest? De vraag kan niet anders dan met nee worden beantwoord.

Daarom zegt de HEERE: ‘Getuig tegen Mij.’ Als het volk meent dat het een reden heeft om van God af te wijken, laat het die reden dan noemen. Maar in plaats van Zijn volk kwaad te doen, heeft de HEERE juist voor Israël gezorgd. Hij heeft het uit het land Egypte geleid en uit het slavenhuis verlost. Hij heeft Mozes, Aäron en Mirjam gegeven om het volk te leiden. Vervolgens herinnert God Israël aan Balak, de koning van Moab, en aan Bileam. Balak wilde dat Bileam het volk Israël zou vervloeken. Maar wat als vloek bedoeld was, werd door God in een zegen veranderd. Israël moest zich deze gebeurtenissen herinneren om de rechtvaardige daden van de HEERE te kennen. Dat is de achtergrond van de rechtszaak. God is trouw geweest. Hij heeft verlost. Hij heeft geleid. Hij heeft beschermd. Hij heeft de vloek in zegen veranderd. De vraag is daarom niet wat God verkeerd heeft gedaan. De vraag is hoe Israël heeft gereageerd op alles wat Hij voor Zijn volk heeft gedaan.

Dan klinkt de vraag van de mens: ‘Waarmee zal ik de HEERE tegemoetgaan?’ Hoe kan een mens voor de hoge God verschijnen? Moet hij komen met brandoffers? Zijn kalveren van een jaar oud voldoende? Vervolgens worden de aantallen steeds groter. Zou de HEERE behagen hebben in duizenden rammen? In tienduizenden oliebeken? Ten slotte wordt zelfs gevraagd of iemand zijn eerstgeborene moet geven voor zijn overtreding. De gedachte is duidelijk. De mens probeert als het ware steeds meer aan te bieden. Als één offer niet voldoende is, dan misschien duizenden offers. Als dat nog niet genoeg is, dan misschien iets wat hem buitengewoon dierbaar is. Maar God is niet te koop. De verhouding met Hem kan niet worden hersteld doordat de mens steeds grotere prestaties levert.

Dan volgt een van de bekendste verzen uit het boek Micha: ‘Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.’ De mens hoeft niet zelf te bedenken wat God van hem verlangt. God heeft het bekendgemaakt. De HEERE vraagt dat de mens recht doet, goedertierenheid liefheeft en ootmoedig wandelt met zijn God. Deze woorden worden soms losgemaakt van de rest van het boek, maar zij staan midden in Gods rechtszaak met Israël. Juist op deze punten heeft het volk gefaald. De leiders hebben het recht verdraaid. Machtige mensen hebben zwakken beroofd. Profeten en priesters hebben hun positie voor eigen voordeel gebruikt. Daarom is de oproep om recht te doen geen algemene mooie gedachte. Zij raakt rechtstreeks de zonden die Micha in de voorgaande hoofdstukken heeft aangewezen. Maar God vraagt meer dan alleen het uiterlijk doen van recht. De mens moet ook goedertierenheid liefhebben. Het gaat niet alleen om correcte daden, maar ook om een hart dat waarde hecht aan trouw, liefde en barmhartigheid. En vervolgens moet de mens ootmoedig wandelen met zijn God. Dat is misschien wel het diepste punt.

De mens moet niet groot van zichzelf denken of proberen God met zijn prestaties te imponeren. Hij wordt geroepen om in afhankelijkheid van Hem te leven. Het gaat om een wandel met zijn God. Juist dat ontbrak in Israël. Er was wel godsdienst. Er waren offers, priesters en profeten. Maar het dagelijkse leven stond los van de HEERE. Daarom klinkt opnieuw de stem van God tot de stad. De wijze mens zal Zijn Naam vrezen en luisteren naar wat Hij zegt. Vervolgens worden de concrete zonden opnieuw genoemd. In de huizen van de goddelozen bevinden zich schatten die door onrecht zijn verkregen. Er wordt gewerkt met een te kleine maat, een bedrieglijke weegschaal en valse gewichten. De rijken zijn vol geweld. De inwoners spreken leugen en hun tong is bedrieglijk. De zonde is doorgedrongen in de handel, de economie en de onderlinge verhoudingen. Daarom kondigt God het oordeel aan.

Het volk zal eten, maar niet verzadigd worden. Het zal proberen iets in veiligheid te brengen, maar het niet kunnen redden. Het zal zaaien, maar niet maaien. Het zal olijven treden, maar zich niet met de olie zalven. De mensen hebben gekozen voor de weg van Omri en het huis van Achab. Daarmee wordt teruggegrepen op een donkere periode in de geschiedenis van Israël. Onder deze koningen kregen afgoderij en onrecht een grote plaats. Het volk volgt hun raad en zal daarom ook de gevolgen van die weg dragen.

Aan het begin van hoofdstuk 7 spreekt Micha vervolgens heel persoonlijk. Hij vergelijkt zichzelf met iemand die na de oogst naar vruchten zoekt. Hij zoekt druiven, maar vindt ze niet. Hij verlangt naar een vroege vijg, maar er is geen vrucht. Het beeld maakt duidelijk hoe de profeet om zich heen kijkt en zoekt naar mensen die werkelijk voor God leven. Maar hij vindt ze nauwelijks. De goedertieren mens is uit het land verdwenen en er is geen oprechte meer onder de mensen. Iedereen loert op bloed en men jaagt op elkaar. Beide handen zijn bedreven in het kwaad. De vorst stelt eisen, de rechter laat zich betalen en de machtige zegt wat hij verlangt. Samen verdraaien zij het recht. Zelfs de beste van hen is als een doornstruik. De samenleving is zo diep aangetast dat vertrouwen bijna onmogelijk is geworden.

Micha waarschuwt om niet zomaar op een vriend of vertrouweling te vertrouwen. Zelfs binnen gezinnen en families ontstaan conflicten. De zoon behandelt zijn vader met minachting, de dochter staat op tegen haar moeder en de schoondochter tegen haar schoonmoeder. De vijanden van een mens zijn de mensen van zijn eigen huis. De zonde tast dus niet alleen de grote structuren van de samenleving aan. Zij dringt door tot in de meest persoonlijke relaties. Wat moet Micha doen in een wereld waarin hij nauwelijks nog vrucht ziet? Dan komt een beslissende wending.

De profeet zegt: ‘Ik echter zal uitzien naar de HEERE.’ Micha kijkt niet langer alleen om zich heen. Als hij alleen naar de mensen kijkt, ziet hij onrecht, bedrog, geweld en ontrouw. Daarom kijkt hij omhoog. Hij zal wachten op de God van zijn heil. En dan volgt zijn geloofsbelijdenis: ‘Mijn God zal mij horen.’ De omstandigheden zijn niet veranderd. De samenleving is nog steeds verdorven. Het oordeel is nog steeds aangekondigd. Maar Micha weet tot Wie hij zich kan wenden. Daarom kan hij tegen zijn vijandin zeggen dat zij zich niet over hem moet verheugen. Al is hij gevallen, hij zal weer opstaan. Al zit hij in duisternis, de HEERE zal hem tot licht zijn. Hier spreekt niet iemand die beweert nooit te vallen. Micha erkent de werkelijkheid van de zonde en van Gods oordeel. Hij zegt zelfs dat hij de gramschap van de HEERE zal dragen, omdat hij tegen Hem gezondigd heeft. Maar hij weet ook dat het oordeel niet het laatste woord heeft. De HEERE zal zijn rechtszaak voeren. Hij zal hem uitleiden naar het licht. Dan zal hij Gods gerechtigheid zien. Opnieuw staan oordeel en zegen vlak naast elkaar.

Jeruzalem zal door vernedering heen gaan, maar er komt ook een tijd van herstel. De muren zullen worden herbouwd en mensen zullen van verre komen. De aarde zal echter ook verwoest worden vanwege de vrucht van de daden van haar inwoners. Dan verandert de profetie in een gebed.

Micha bidt: ‘Weid Uw volk met Uw staf, de kudde van Uw eigendom.’ Opnieuw verschijnt het beeld van de herder. In de eerdere hoofdstukken hebben de leiders van Israël als herders gefaald. De komende Messias zal echter Zijn kudde weiden in de kracht van de HEERE. Nu vraagt Micha aan God Zelf om voor Zijn volk te zorgen. Het is de kudde van Zijn eigendom. De profeet vraagt om herstel van de vroegere zegeningen, zoals in de dagen waarin het volk in Basan en Gilead woonde. De HEERE antwoordt dat Hij wonderen zal laten zien zoals in de dagen waarin Israël uit Egypte trok. Dat is een belangrijk verband.

Aan het begin van hoofdstuk 6 herinnerde God het volk eraan dat Hij hen uit Egypte had geleid. Nu, aan het einde van het boek, belooft Hij opnieuw wonderen te doen zoals in de dagen van de uittocht. De volken zullen het zien. Zij zullen beschaamd worden over al hun macht. De machtige naties die zichzelf groot achtten, zullen ontdekken dat zij niet tegen de HEERE kunnen standhouden. Zij zullen bevend uit hun vestingen komen en ontzag hebben voor de God van Israël. Dan bereikt het boek zijn hoogtepunt.

De naam Micha betekent: ‘Wie is als de HEERE?’ Nu stelt de profeet de vraag waarmee de hele boodschap van het boek wordt samengevat: ‘Wie is een God als U?’ Wat maakt God zo uniek? Micha noemt niet eerst Zijn macht om bergen te laten smelten. Hij noemt niet eerst Zijn macht over Assyrië, Babel of de andere volken. Hij verwondert zich over iets anders: God vergeeft ongerechtigheid. Hij gaat voorbij aan de overtreding van het overblijfsel van Zijn eigendom. Dat is bijzonder, juist na alles wat in het boek is gezegd. Micha heeft de zonde niet kleiner gemaakt. Hij heeft het onrecht van de leiders aangewezen. Hij heeft de hebzucht van de machtigen genoemd. Hij heeft de leugens van de profeten ontmaskerd. Hij heeft het oordeel over Samaria en Jeruzalem aangekondigd. En toch eindigt het boek met vergeving. Hoe kan dat? Omdat God niet voor altijd vasthoudt aan Zijn toorn. Micha zegt waarom: Hij vindt vreugde in goedertierenheid. Dat is een van de meest bijzondere uitspraken van het boek. God vergeeft niet met tegenzin. Goedertierenheid hoort bij Wie Hij is. Daarom zal Hij Zich opnieuw over Zijn volk ontfermen.

De profeet gebruikt vervolgens twee krachtige beelden voor wat God met de zonde doet. Hij zal de ongerechtigheden vertrappen. De zonde die zo machtig leek en het hele volk beheerste, zal onder Zijn voeten worden gebracht.

Daarna zegt Micha: ‘U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.’  Wat God vergeeft, neemt Hij werkelijk weg. Het boek eindigt daarom niet met de vraag of Israël trouw genoeg zal zijn. Als alles daarvan zou afhangen, zou er geen hoop zijn. Het eindigt met Gods trouw. Hij zal Jakob de waarheid geven en Abraham de goedertierenheid. Daarmee grijpt Micha terug op de beloften die God lang geleden aan de aartsvaders heeft gedaan. De hoop voor Israël ligt uiteindelijk niet in de trouw van het volk aan God, maar in de trouw van God aan Zijn eigen beloften. Zo eindigt de rechtszaak met Israël op een verrassende manier. Het volk kan zichzelf niet vrijspreken. De schuld is werkelijk. Het oordeel is rechtvaardig. Maar God heeft het laatste woord. Hij vergeeft. Hij ontfermt Zich opnieuw. Hij vertrapt de ongerechtigheden. Hij werpt de zonden in de diepten van de zee. En Hij blijft trouw aan wat Hij heeft beloofd.

Daarmee is de hele serie aangekomen bij de vraag die al in de naam van de profeet verborgen lag en die nu met diepe verwondering wordt uitgesproken: Wie is een God als U?

Opname: februari 2022

Bekijk meer studies van:

Deel deze video met anderen:


Meer video’s